Harry Mulisch

| 5 reacties

Harry Mulisch behoort niet tot mijn voorkeurauteurs. Dat heeft niks met zijn werk of zijn persoon te maken, maar is gewoon toevallig zo gegroeid. Je kunt nu eenmaal niet alle schrijvers volgen of bestuderen. En dat belet overigens niet dat ik het overgrote deel van zijn boeken wel gelezen heb, en dat sommige daarvan een onuitwisbare indruk hebben gemaakt. Het betekent misschien vooral ook dat ik de secundaire literatuur over Mulisch nooit echt gevolgd heb (zoals ik dat bv. wel gedaan heb voor Hermans en Claus).

Maar nu heb ik dus wel twee boeken over Mulisch gelezen.

Het eerste is van de hand van Michel Dupuis, en draagt de ietwat vreemde titel: Halfdoden en de hemel. Experimenteel zelfonderzoek en surrealiteitsverlangen bij de jonge Harry Mulisch ( Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent, 2007). Wanneer je ervan uitgaat dat literatuurwetenschap inderdaad een vorm van wetenschap is, dan heb je hier een voorbeeld van een rustig, zakelijk, voorzichtig, maar toch indringend onderzoek naar enkele aspecten van het werk van de jonge Mulisch. Dupuis maakt het zichzelf daarbij niet gemakkelijk, want psychologische literatuurbeschouwingen kunnen valkuilen zijn waar je invalt voor je goed en wel vertrokken bent. Maar het uitgangspunt, nl. dat die jonge Mulisch vooral ‘zielsproblematiek’ verwoordt, lijkt me zonder meer juist. Ik hoef me maar Archibald Strohalm te binnen te roepen. Maar Dupuis toont aan, dat dit ook voor andere vroege werken geldt.

Bij zijn analyses houdt Dupuis zich minutieus aan de tekst zelf van de verhalen en de roman die hij bespreekt, en hij vermijdt zorgvuldig Hineininterpretierungen. Zelfs verwijzingen naar Freud vind je slechts sporadisch, misschien omdat de lezer geacht wordt met de basisprincipes daarvan al vertrouwd te zijn. Mulisch zelf heeft gewaarschuwd voor en zich verzet tegen psychologische interpretaties van zijn werk. Hij zal wel weten waarom natuurlijk. Maar in Dupuis heeft hij wel een goeie psycholoog gevonden, een die enkel gebruik maakt van feiten die onomstotelijk vaststaan (omdat Mulisch zelf er in autobiografische teksten melding van heeft gemaakt), en die, ik herhaal het, alle speculaties die niet door de tekst gesteund worden, de kop indrukt.

Daarbij weet hij ook goed een verband te leggen met surrealistische invloeden op datzelfde jeugdwerk. Ofschoon dat aspect meer vragen bij me oproept, maar dat heeft wellicht eerder te maken met het feit dat ik inderdaad niet goed op de hoogte ben van wat het surrealisme allemaal inhoudt.

Michel Dupuis komt uit de school van Jean Weisgerber, en dat is op zich eigenlijk al een garantie voor kwaliteit. De accurate behandeling van Mulisch’ werk gaat hier gepaard met een langzame, beheerste schriftuur. Dat betekent dat je je tijd moet nemen om te lezen, maar ook dat het gelezene sterker bijblijft.

000

Dat is op een totaal andere manier ook het geval met een ander werk over Mulisch: De exegese van het tegenboek. Mulisch’ oeuvre en The Da Vinci Code (AcigolanA, Brussel, 2009) van Jan Struelens. ‘Op een totaal andere manier’: daarmee bedoel ik dat ik zelden zo vaak met mijn hoofd heb geschud als bij de lectuur van dit boek, dat in bijna alles een voorbeeld is van hoe het nou echt niet moet.

De bestseller van Dan Brown verscheen in 2003. De laatste roman van Mulisch, Siegfried, in 2001. De eerste kan Mulisch dus al zeker niet beïnvloed hebben. Maar voor het feit dat Dan Brown op de hoogte geweest zou zijn van het werk van Mulisch, wordt ook geen enkel argument aangehaald. Beider werk heeft dus niks met elkaar te maken.

“Comparer certes, mais sur quelles bases?”, vroeg Weisgerber zich af in een ander verband.

Kun je die twee dan ook niet met elkaar vergelijken? Uiteraard wel, want dat is wat Jan Struelens hier een boek lang doet. Maar laten we wel wezen: je mag en kunt alles met alles vergelijken natuurlijk, maar sommige vergelijkingen zullen eerder gerangschikt moeten worden onder een surrealistische noemer dan iets anders. Bij gebrek aan wederzijdse beïnvloeding kunnen er tussen Brown en Mulisch enkel maar overeenkomsten bestaan. Je kunt die vaststellen, maar daar blijft het dan ook bij.

Struelens gaat duidelijk verder dan die vaststellingen: hij suggereert (durft hij het niet expliciet zeggen?) dat de bestseller van Dan Brown eigenlijk door Mulisch geschreven is. Dat is niet alleen niet waar, het is niet eens goed gevonden (om bij het eerste motto van de auteur boven zijn boek aan te sluiten), want op helemaal niets gebaseerd. De overeenkomsten tussen beide auteurs kunnen hier niet als bewijs gelden, al was het maar wegens de oppervlakkigheid ervan. En wegens het feit dat ze soms met de haren erbij gesleurd worden, om de eenmaal ingenomen stelling toch maar te ondersteunen

Jan Struelens jaagt in dit boek een idée fixe na, zijn boek is eigenlijk een vorm van literaire paranoia: vertrekkend van een valse premisse werk je die minutieus uit tot je een coherent en ogenschijnlijk logisch systeem krijgt. Alleen vergeet je dat die premisse vals is, zoals bij alle Christussen, Napoleons, Hitlers et tutti quanti in alle krankzinnigengestichten ter wereld. Maar kom er maar eens om om dat aan de betrokkenen diets te maken.

Ook vergelijkende literatuurwetenschap kan valkuilen verbergen. Ik herinner me uit mijn jeugd, 1968 of all years, een boek van Jean Weisgerber, Faulkner et Dostojevski. Confluences et influences. (Presses Universitaires de France, Paris/Presses Universitaires de Bruxelles, 1968), waarin deze een meesterlijk voorbeeld gegeven heeft van wat vergelijkende literatuurwetenschap is, kan zijn en moet zijn. Altijd bij de feiten blijven, d.w.z. aan de hand van brieven, dagboeken enz. aantonen dat de schrijvers die je wil vergelijken inderdaad kennis hadden van elkaar en op welke wijze, dan zien hoe de latere de eerdere in zijn scheppend werk al dan niet verwerkt. Enz. Maar steeds gebaseerd op de teksten, en niet op speculaties. Ik kan dit boek van Weisgerber nog steeds aanraden aan iedereen die wil weten wat vergelijken in de literatuur inhoudt.

Het boek van Struelens is het tegendeel daarvan volgens mij;  Struelens zal wel ervan uitgaan dat ik absoluut geen voeling heb met zijn uitgangspunt, dat op ‘analogische gevoeligheid’ gebaseerd is. Dat laatste heb ik inderdaad helemaal niet, ik blijf liever met mijn voeten op de grond, of in de tekst in onderhavig geval.

Zonde van zoveel verspild talent.

Delen:
Share

5 reacties

  1. Misschien kan de auteur een nieuw boek schrijven? Mulisch’ oeuvre en ‘Het Heilige Bloed en de Heilige Graal’. Spreekt hij daar over?

    “Michael Baigent en Richard Leigh schreven in 1982 samen met Henry Lincoln het non-fictieboek ‘The Holy Blood and the Holy Grail’, in het Nederlands vertaald als ‘Het Heilige Bloed en de Heilige Graal’. In dit boek wordt voor het eerst de stelling geponeeerd dat Jezus getrouwd was met Maria Magdalena en dat de heilige graal niets anders is dan de bloedlijn van Jezus.

    In de Da Vinci Code wordt die gedachte door Dan Brown omarmd en verder uitgewerkt. Dan Brown heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij zich bij het schrijven van de Da Vinci Code heeft laten leiden door ‘The Holy Blood and the Holy Grail’. Sterker nog: een van de hoofdpersonen in de Da Vinci Code heet Leigh Teabing: Leigh is een verwijzing naar Richard Leigh. Teabing is een anagram van Baigent. “

    Bron: http://www.da-vinci-code.nl/index.html

    Spreekt de auteur over dit eerste boek?

    Diana

    PS Het “graalboek” heb ik jammer genoeg in een onbewaakt ogenblik gelezen. De Da Vinci Code niet – ik heb van dat soort ongein intussen mijn bekomst, ook in de vorm van thrillers.

  2. In zijn bibliografie komt die titel niet voor, en ik herinner me evenmin hem in de tekst zelf te zijn tegengekomen. Dat steunt niet alleen mijn stelling, maar zegt eigenlijk nog meer over de werkwijze en het sérieux – of beter: het absolute gebrek daaraan – van Jan Struelens.

  3. Na het lezen van Struelens’ “De exegese van het tegenboek. Mulisch’ oeuvre en The Da Vinci Code” kwam ik via Google bij Inktspat terecht, en kon mijn ogen niet geloven.

    Het boek van Struelens is erudiet, wetenschappelijk verantwoord, knap en geestig geschreven, meesterlijk opgebouwd. Zijn kennis van de hele Mulisch is ongeëvenaard. Het patroon van overeenkomsten tussen het boek van Brown en vele werken van Mulisch is gewoon hallucinant. Vooral omdat Struelens juist wél uitgaat van de teksten.

    De reactie van “Peter” is dus totaal onbegrijpelijk. Men krijgt sterk de indruk dat hij het boek van Dupuis niet om de eigen kwaliteiten gelezen heeft, maar enkel om dat van Struelens af te breken. En dat Weisgerber daarvoor op dezelfde manier misbruikt wordt. Faulkner werd door Dostojevski beïnvloed. Maar bij de overeenkomsten tussen Brown en Mulisch gaat het om iets heel anders. De twee gevallen zijn dus totaal onvergelijkbaar. En dat, terwijl “Peter” zelf zegt dat men moet oppassen met al te gemakkelijke vergelijkingen!

    Dat “Peter” en zijn trouwe medewerkster Diana zich geroepen voelen om “reacties” te schrijven op de eigen tekst, versterkt de indruk dat het hier om een afrekening gaat.
    P. en D.’s spelletje van vraag en antwoord heeft het naturel van dat uit de catechismusles.

    Brillekop.

  4. Dat het om iets heel anders gaat, klopt. Maar om wat dan?
    Afrekening? Met wie? Met wat? Waarom in godsnaam?

  5. Nog even verder reageren. Het boek van Dupuis werd gelezen vóór dat van Struelens, en dus zeker niet met het oog op enige afbraak. Het sprak wel vanzelf om ze samen kort te bespreken.
    Weisgerber werd aangehaald omdat hij voor mij de norm is als het over comparatistische studies gaat (ook in veel van zijn later werk trouwens); Struelens’ boek is daartegenover de anti-norm. Ik zie niet in hoe ik Weisgerber in deze zou ‘misbruiken’. Tot in de ondertitel van Weisgerbers boek komt overigens het woord ‘confluences’ voor; en Weisgerber gaat inderdaad niet enkel diep in op de invloeden, ook op de overeenkomsten, echter zonder van alles en nog wat met de haren erbij te sleuren om toch maar een stelling te kunnen ‘bewijzen’.
    Ik ben mijn ‘trouwe medewerkster Diana’ niet, en heb dus op geen enkele manier een reactie geschreven op mijn eigen tekst. Diana maakte mij attent op dat boek van Baigent en Leigh, en de ‘overeenkomsten’ ervan met Brown. Dat is alles. Dat er enkel over catechismusles geleuterd kan worden, maar absoluut niet over de pertinentie van de inhoud van mijn opmerking (zeker wat de eruditie en wetenschappelijke accuratesse van Struelens betreft) bevestigt mijn stelling enkel maar.
    En wat die ‘afrekening’ betreft, eigenlijk is dat te dom om los te lopen. Ik heb nog nooit in mijn leven ruzie gehad met Jan Struelens, zelfs geen woorden bij mijn weten. Ik zou dus begot niet weten wat er af te rekenen valt. Waar dan nog bij komt dat rancune echt amper in mijn woordenboek voorkomt. Ik zeg gewoon wat ik denk, zonder onderscheid des persoons, en daarop mag men mij inderdaad afrekenen.
    Dat geen enkele normale uitgever dit boek wou publiceren, lijkt me volkomen normaal: al was het maar omdat de auteur met zijn eerste motto zijn eigen ruiten al inslaat. ‘Goed geprobeerd van Propria Cures’, zullen al die uitgevers wel gedacht hebben, ‘maar ons zal je niet hebben’. Heeft de auteur trouwens een exemplaar naar PC gestuurd? Ze zullen hem eeuwig dankbaar zijn.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vijftien + vijf =