Peter Handke en Servië

| Geen reacties

Meer dan veertig jaren is het inmiddels geleden, dat ik de naam van Peter Handke voor het eerst hoorde, waarschijnlijk in verband met zijn eerste stuk, Publikumsbeschimpfung, waarvan ik vermoed dat ik het ergens in de late jaren zestig ook gezien heb (maar zeker ben ik daar geenszins van) of alleszins gelezen.  Zoals ik toen als student ook enkele van zijn vroege romans gelezenheb.

Ofschoon ik goede herinneringen heb aan die lectuur, heb ik Handke daarna amper nog gelezen, laat staan dat ik zijn werk gevolgd zou hebben.

Slechts in het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam hij weer in mijn gezichtsveld, toen ik in de pers kennis nam van de controverse rond zijn Joegoslavië-teksten. De weinige reacties daarop die ik toen effectief las (vooral in Der Spiegel en enkele grote kranten) waren zo hevig, dat ik de teksten van Handke zelf persé lezen wou. Groot was mijn verwondering, want wat deed Handke: bijna uitsluitend vragen stellen, op de eerste plaats bij de berichtgeving en bij de mentaliteit van het journaille, maar ook over het concept ‘goeden’ versus ‘slechten’ enzovoort. Vragen stellen dus, vraagtekens plaatsen, dat vooral. En op een duidelijk literaire manier, in poëtisch proza. Pamfletten waren het niet, evenmin polemieken.

Over heel die affaire, die blijkbaar ook een groot stuk van de buitenlandse, met name de Franse pers beroerde, is nu een degelijk, maar misschien iets te akademisch boek verschenen: Kurt Gritsch: Peter Handke und “Gerechtigkeit für Serbien”, eine Rezeptionsgeschichte (StudienVerlag, Innsbruck-Wien-Bozen, 2009). Het is de bewerking, uitwerking van een ‘Magisterarbeit’, die Gritsch in 2000 schreef in een eerste versie.

In een eerste, en het langste deel gaat hij uitvoerig in op de reacties zoals die op de eerste publicatie in de Süddeutsche Zeitung plaatsgrepen. Om zeker te zijn dat ik me niet vergiste heb ik de boekuitgaven (ook de latere, waar Gritsch het niet meer over heeft – een boekje over het tribunaal, over Milocevic…) nog eens ter hand genomen, maar nee: mijn geheugen bedroog me niet, wat Handke schreef was mijns inziens erg gematigd.

Je kunt de reacties erop dan ook alleen maar hallucinant noemen. Zelden moet een auteur voor een eerder onschuldig werkje, dat eerder aan de rand van zijn oeuvre thuishoort, zoveel stront en modder over zich heen hebben gehand als Handke na die eerste publicatie (en nog een beetje na de boekpublicatie). Daar moeten mensen-die-het-voor-het-zeggen-hebben zich gepikeerd gevoeld hebben, ingezien hebben dat ze doorzien en betrapt waren, dat het eigenlijk niet netjes meer was. Bijna niemand van hen gebruikt argumenten tegen Handke, allemaal spraken ze rond de hete brei heen om Handke te betichten van het goedpraten van moord en genocide, het loochenen van de nazijudéocide (dat moet er uiteraard altijd bijgesleurd worden als je iemand wil afmaken), lijkenvreterij enzoverder enzovoort.

Je zit nog steeds met ongeloof en verbijstering te lezen, na al die jaren.

Na de eigenlijke receptiegeschiedenis volgt een hoofdstuk over de geschiedenis van Joegoslavië, dat zeer beknopt is en zich beperkt tot de echt grote lijnen, en dan een hoofdstuk over de rol van de media.

Wie een beetje op de hoogte is weet uiteraard dat de mainstreammedia allemaal liegen en bedriegen, dat ze enkel de belangen van hun broodheren en de vriendjes daarvan verdedigen en verder niks. Vrije pers is een lachertje, persvrijheid bestaat niet en kan waarschijnlijk ook niet bestaan – tenzij als lege, holle, propagandistische slogan, zoals die pers meestal zelf is. In dit hoofdstuk heeft Gritsch het ook over ‘Ruder Finn Global Public Affairs’, een pr-agentschap uit Washington, dat werd ingehuurd door Bosnië en Kroatië (ook later zou dit agentschap nog voor Kroatië werken). Je moet er an sich al vragen bij stellen dat een regering zulk een instituut nodig heeft, maar in tijden van oorlog kan dat alleen maar betekenen dat dit agentschap voor de propaganda moest zorgen, en voor niks anders. Ook in andere tijden en voor andere zaken dienen pr-agentschappen daar trouwens voor. Hun grote rol in de maatschappij is een overduidelijke aanwijzing voor de leugenachtige en bedrieglijke aard van die maatschappijen, en vooral van het heersende sociaal-politieke systeem daarin. Dat is helemaal, en hoe langer hoe meer gebouwd op wat men met een modeterm ‘perceptie’ noemt. Leugens dus. Bedrog dus. Mundus vult decipi.

Opvallend is daarbij het absolute negatieve cynisme van deze mensen (op de pagina’s 140-142 wordt de manager van Ruder Finn aangehaald), die werkelijk over alle denkbare lijken gaan. In het laatste stukje van dit hoofdstuk stelt de auteur de vraag naar de verhouding van ‘Medien und Moral’. Dit is een akademisch geschrift, en dus kan de auteur niet anders dan braaf zijn, zeker wat zijn bewoordingen betreft. Maar toch slaagt hij er wel in duidelijk genoeg te laten doorschemeren wat hij van dit soort media denkt – en dat is terecht niet positief.

Met Handke heeft dat alles weliswaar niets meer vandoen. Die is de door hem uitgestippelde weg blijven volgen, ook later nog; zo heeft hij de begrafenis van Milosevic bijgewoond, en daarover geschreven. Waarbij hij nogmaals vaststelde dat de media de waarheid bezitten, terwijl hij daar enkel stond met vragen en onzekerheden.

Liever één Handke in een Elfenbeinturm dan de dunne kak van tien kranten of televisiestations.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


2 × 5 =