Claude C. Krijgelmans

| Geen reacties

Claude C. Krijgelmans is éen van de belangrijkste schrijvers uit het Nederlandse taalgebied en niemand weet het.

Velen zullen hem in verband brengen met de jaren zestig en het experimentele proza dat toen opgang maakt. En inderdaad, twee van de drie boeken die hij publiceerde, verschenen respectievelijk in 1961, nl. de novelle Messiah, en in 1967, de verhalenbundel Homunculi. Bijna twintig jaar later, in 1984 verscheen dan een tweede verhalenbundel, Spaanse vlieg!

En dan werd het weer meer dan twintig jaar stil rond Krijgelmans, tot in 2007 en 2009 bij de nieuwe uitgeverij Het Balanseer (genoemd naar de titel van een verhaal van Krijgelmans) twee nieuwe verhalenbundels verschenen: Tandafslag en Patogeen halogeen.

Daaruit blijkt dat Krijgelmans wezenlijk zichzelf gebleven is, een taal- en denkontregelaar. Maar de manier waarop hij dat doet varieert wel sterk, waarbij je drie periodes kunt onderscheiden, die respectievelijk samenvallen met de tijdperken waarin zijn boeken gepubliceerd werden.

De laatste twee publicaties horen wat dit betreft samen, zoals de eerste twee. Spaanse vlieg! staat apart.

In Tandafslag en Patogeen halogeen vindt die taalontregeling plaats op het vlak van de woordenschat. In zijn eerste publicaties daarentegen werd bijna uitsluitend de zinsbouw aangepakt: zo bestond de novelle Messiah uit één enkele zin van meer dan tachtig bladzijden. En in de verhalen van Homunculi, vooral in het laatste, krompen de zinnen meer en meer in elkaar tot ze nog slechts uit enkele, uit één woord bestonden, en in het laatste verhaal uiteindelijk zelfs uit géén woord: na de geleidelijke afbraak van de zinnen eindigt het verhaal met een wit blad. De taal wordt een ruïne zoals de muren van Jericho, waar de titel naar verwijst. Erger zelfs: er blijft niets over. In het voorlaatste, het titelverhaal van die bundel hielden constructie en deconstructie elkaar nog min of meer in evenwicht.

In alle nadien verschenen verhalen bleef de zinsbouw grotendeels intact, dus ook in de respectievelijk twaalf en acht verhalen uit de nieuwe bundels. En in het eerste verhaal van Patogeen halogeen is er zelfs van woordontregeling geen sprake. Daarmee sluit dit verhaal eigenlijk eerder aan bij de bundel Spaanse vlieg! waarin zowel grammatica als woordenschat grotendeels ‘gewoon’ blijven, maar waar eerder van denkontregeling gesproken moet worden. Die bundel is door en door grotesk in de zin van bv. de verhalen (‘grotesken’) van Van Ostaijen. Alleen is deze laatste in zijn satire direct politiek gericht en veel vrolijker.

Hoe die ontregeling in het werk gaat kan best aan de hand van een voorbeeld worden aangetoond:

“Toen de verkrankte verfranken in grote optelling op doortochtig naar Borst optrokken, hadden ze maar één bedoel: het strekerig vinden van parelmelk met raamkozenaar en beken met verfijnde wijn, omgroeid met uithollige stengels om die fijnproeverij in hun maag te zuigen.”

Zo begint ‘De loze onthaarden (een ridderverhaal)’. Het is een tamelijk gemakkelijk voorbeeld, omdat de oorspronkelijke vorm van alle woorden hoe dan ook herkenbaar blijft. Dat is overigens altijd zo, alleen moet je als lezer soms wel even doordenken. Dat gebeurt meestal vooral in de laatste verhalen van beide bundels, want ook daarin is een evolutie bespeurbaar: de onttakeling van de taal neemt met elk nieuw verhaal als het ware toe (zoals in Homunculi de auteur in elke verhaal verder ging in het deconstrueren van de grammatica om, zoals gezegd, op het einde van het laatste verhaal enkel nog een wit blad over te houden).

Met die bestaande woorden kan dus van alles gebeuren: substantieven kunnen adjectieven worden of omgekeerd, door het gebruik van al dan niet bestaande voor- of achtervoegsels (cfr. hierboven ‘uithollig’) kunnen nieuwe vormen ontstaan. Soms kunnen zodoende meerdere betekenissen mee gaan spelen: ‘raamkozenaar’ doet denken aan ‘raamkozijn’, aan ‘kozen’, aan ‘korenaar’, maar in de context ook aan het Duitse ‘Rahm’. En in een woord als ‘balanseer’ worden twee vormen van eenzelfde stam, nl. het werkwoord en het substantief tot één nieuw woord omgesmeed.

Wat daarbij ook telkens weer opvalt is de grote muzikaliteit van de taal van Krijgelmans: zijn zinnen zijn a.h.w. uitgebalanceerd om te ‘klinken’, om voorgelezen te worden. Eén van de technieken om dat te bereiken is wat in verband met het proza van Arno Schmidt ‘rijmproza’ genoemd werd. Een voorbeeld is het begin van het verhaal ‘Waarom?’: “Een verstempeld kwadrant, een noest verstand van weerstand en willekeurig. Met beenmerg opgeschonken en de leegte in gedronken.” Ook alliteraties worden vaak gebruikt om dit muzikale effect te bereiken – eveneens als bij Arno Schmidt.

Maar de lezer zal uiteraard bij het lezen van deze enkele voorbeelden eerst aan Joyce (en de nog geschooldere lezer aan een van diens voorgangers, Johann Fischart) denken, die in zijn laatste werk, Finnegans wake, dezelfde technieken ten overvloede gebruikt heeft. Toch is deze vergelijking slechts ten dele juist, want Krijgelmans lijkt me veelzijdiger in zijn techniek. Joyce gebruikt vooral zgn. ‘porte-manteau-words’, waarbij bestaande woorden uit verschillende talen vaak samengesmolten worden tot een nieuw woord. Dat doet Krijgelmans eveneens (zie ‘raamkozenaar’ hierboven), maar hij doet zoals gezegd méér: het substantiveren c.q. adjectiveren c.q. verbumiveren enz. kom je bij Joyce in veel mindere mate tegen. Krijgelmans is dus allesbehalve een Nederlandse epigoon van Joyce, integendeel.

Uit het voorgaande zal al duidelijk zijn dat bij Krijgelmans het hoe belangrijker is dan het wat. En het is inderdaad zo dat sinds Homeros amper nieuwe thema’s in de literatuur zijn geïntroduceerd. Het draait steeds rond de condition humaine (liefde, dood, oorlog…zeg maar). En wat in de loop van een literatuurgeschiedenis verandert, is de manier waarop die thema’s gehanteerd, uitgewerkt worden, welke accenten worden gelegd enz.  Krijgelmans is dus een typische maniërist. Volgens Rudiger Zymner komt maniërisme in de literatuur erop neer dat het artistieke, het kunst-matige karakter van een tekst sterk op de voorgrond wordt geplaatst, totaal geaccentueerd wordt, om zodoende een reactie uit te lokken van de lezer, in positieve of negatieve zin.

Krijgelmans beantwoordt m.i. volledig aan die definitie. Maniëristen, aldus Arno Schmidt, zijn het zout van de kunstwerelden. In het buitenland wordt dit begrip dan ook ernstig genomen en Schmidt bv. wordt o.a. bestudeerd als maniëristisch kunstenaar. In het Nederlandse taalgebied is dat woord jammer genoeg een scheldwoord. Totaal ten onrechte.

Een accent dat ten opzichte van het vroegere werk duidelijk naar voren springt in deze twee bundels is dat van de humor en het plezier. Spaanse vlieg! was nog van een grote, groteske somberheid, en ook in de vroegere verhalen waren de themata van taalafbraak, onmogelijkheid tot communicatie enz. zodanig verwoord en uitgewerkt dat de verhalen ook pareltjes van negatieve logica werden. In Bok werd Krijgelmans daarvoor trouwens gekapitteld.

Hier is Krijgelmans dus luchtiger geworden, zelfs wanneer hij de zwaarste thema’s aanpakt, zoals de filosofie van Michel Foucault (foe-ko) in Tandafslag. Of zoals in ‘Kerels van schrift’ (enkelvoud!) in de tweede bundel, waarin het over dagdromerijen van een schrijver in de trein gaat, met o.a. verwijzingen naar L’histoire d’O, maar ook naar uitgeversmentaliteiten. Ook elders vind je soms van die allusies, soms zeer subtiel: in misschien wel het ‘moeilijkste’ verhaal, ‘Het duivelsmaalhoorig’ is Gezelle bv. aanwezig. Een voorbeeld nog uit het korte verhaal ‘Folie à deux’ dat eigenlijk niets anders doet dan een seksuele roes evoceren (men lette weer op het ook voor Arno Schmidt zo typische aspect ‘rijmproza’, en op de algemene muzikaliteit trouwens):

“Wat een heidens feest. Wat een bravouregeluk. Wat een levendig sarabandaar. Om dan te besluiten met een dol derwishgetol en een jive uit hun jeugdig afstandelijk hals-over-kop, bezegeld met een pelvis zonder Elvis en een kus als geen, totdat ze zelfvoldaan gepriemd en besprenkeld tijdens de hoge nacht elkaar bespraken voor een volgend weerom in de uiterste zaligheid van hun kommerloos wel en wee.”

Beide nieuwe bundels worden ingeleid door Bart Vervaeck. Diens inleidingen zijn beknopt en verhelderend, houden zich nauwgezet aan de tekst van Krijgelmans, en geven zeer duidelijk zowel de technieken als de thematieken van deze verhalen weer. Het enige verwijt dat je ertegen zou kunnen inbrengen, is dat hij Krijgelmans amper in een context plaatst, terwijl het belang van zulke schrijvers toch enkel op die manier afgemeten kan worden. Temeer omdat Krijgelmans in de Nederlandse letteren een bijna totale eenzaat is: Ivo Michiels zou je kunnen aanhalen, maar mijns inziens enkel zijn Exit en dan nog. En de technieken van Polet in zijn experimenteelste romans zijn ook van een andere aard dan wat Krijgelmans doet.

Door zijn ongehoorde taalcreativiteit is Krijgelmans een unieke verschijning in de Nederlandse letteren, wiens werk veel belangrijker is dan de doorsneesnert die door grote uitgevers op de dagmarkt wordt gebracht. We mogen Het Balanseer dankbaar zijn dat zij dit oeuvre (en dat van de al evenzeer verwaarloosde en even belangrijke Willy Roggeman) opnieuw onder de aandacht brachten.

Bron foto: vermoedelijk (maar niet zeker) VPRO.nl

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


een × drie =