Hotel New Flanders

| 6 reacties

De Jan de Roek-avond waar ik het gisteren over had vond plaats n.a.v. de Roeks prominente aanwezigheid in de bloemlezing Hotel New Flandres, 60 jaar Vlaamse poëzie, de beste bloemlezing uit de Vlaamse poëzie sinds de oorlog. En niet alleen omdat Jan de Roeks poëzie er eindelijk de plaats krijgt die zij volledig verdient.

In de inleiding van hun bloemlezing staat één bewering, waarmee ik het volstrekt oneens ben:

“Het overzicht diende literair-historisch verantwoord te zijn én representatief voor de poëzieproduktie in Vlaanderen. (…) Dat we in dat opzet niet geslaagd zijn, staat nu al vast. Een literair-historisch verantwoorde bloemlezing zou een uitgesproken, zorgvuldig gearticuleerde en academisch verantwoorde visie op literatuurgeschiedenis vereisen.”

Eigenlijk is dat onzin, omdat die verantwoorde visie evengoed impliciet kan zijn, en dat is hier duidelijk het geval. Ik blijf het absoluut oneens met Vervaeck c.s. als die eisen dat je je theoretische, poëticale, literatuur-historische of andere uitgangspunten dient te expliciteren in een uitgebreide theoretische inleiding. De lezers kunnen zelf wel hun conclusies trekken, het zijn geen jonge vogels, waarvan de kost door de ouders voorgekauwd dient te worden.

Wat nog meer opvalt dan de hoogstaande kwaliteit van de bloemlezing is de heisa er rond in de pers. Op zichzelf is dat natuurlijk niet slecht, maar wat wel bedenkelijk is, is het lamentabele peil soms van die heisa.

Neem nou Hans Vandevoorde die het over fascisme en gestapomentaliteit had, enkel en alleen omdat de samenstellers zich beperken tot Vlaamse poëzie. Ik heb zelf de neiging om heel snel, te snel au fasciste te roepen, maar dit slaat toch wel alles. Voor zoveel domheid zijn er amper nog woorden. Zou je daar nou hoogleraar voor moeten zijn? Je hebt er een die al tien jaar of langer een biografie van Boon aankondigt maar blijkbaar niet in staat is die tot een goed einde te brengen; je hebt er een – specialist in lyriek – die het bekendste gedicht van Hans Lodeizen toeschrijft aan Eddy Van Vliet; en nu heb je dus ook Hans Vandevoorde. ‘Ju, ju, ju!’, hoor ik die goede van Deyssel vanuit het hiernamaals jammeren.

Het is voor mij ondenkbaar dat de generatie die mij les gaf zoiets beweren zou, een Hadermann, een Rutten, een Uyttersprot, een Weisgerber, een Westerlinck. Ook hun opvolgers niet trouwens. Wat is er dan veranderd? Waarschijnlijk de verplichting om te scoren. Vroeger werden hoogleraren niet geëvalueerd, laat staan door hun studenten. Toch kun je onmogelijk beweren dat die generatie kwalitatief minder waard was dan de huidige, integendeel zelfs. Alleen werkten ze niet onder zo’n druk als vandaag, waardoor ze ook minder fouten maakten.

Hoewel je je moet afvragen: wat is er fout aan zo’n beschuldiging van fascisme? Het is enkel onzin en erger. De toestand in de Lage Landen is erg vergelijkbaar met die in het Duitse taalgebied: één taal, meerdere staten. En in het Duitse taalgebied verschenen en verschijnen regelmatig bloemlezingen uit Oostenrijkse poëzie. Eén daarvan verscheen zelfs in de DDR: Verlassener Horizont, österreichische Lyrik aus vier Jahrzehnten (Verlag Volk und Welt, Berlin, 1982). Er verschijnen ook regelmatig geschiedenissen of overzichten van de Oostenrijkse literatuur (het recentste in mijn bezit: Klaus Zeyringer: Österreichische Literatur seit 1945, Überblicke, Einschnitte, Wegmarken, StudienVerlag, Innsbruck, 2008). Niemand in het Duitse taalgebied heeft daar bij mijn weten ooit een probleem van gemaakt. Zoals Oostenrijkse taaleigenaardigheden nooit geschrapt worden in boeken van Oostenrijkse auteurs die bij gerenommeerde Duitse uitgevers verschijnen.

Het verschil komt voort uit het feit dat men hier te lande geen onderscheid weet te maken tussen een geografische aanduiding en een taalkundige. Wanneer je het over de ‘Nederlandse literatuur’ hebt, dan kun je daarmee alleen maar bedoelen: de literatuur die in het Nederlands (inbegrepen alle, zelfs dialectische varianten zoals bij Buysse, de Vries of Coolen) geschreven is. ‘Nederlands’ duidt hier een taal aan, geen geografische entiteit, geen land, geen staat. Zo ook is een ‘Handbuch der deutschen Literatur’ ondenkbaar zonder Kafka, Rilke, Musil, Celan et tutti quanti. Wanneer men het daarnaast over Vlaamse of Oostenrijkse letteren heeft, dan spreekt men wel over een geografische entiteit: de letteren geschreven door schrijvers die afkomstig zijn uit Vlaanderen c.q. Oostenrijk. Dat is dan een objectief gegeven, los van welke ideologische of politieke keuze of voorkeur dan ook. En voor de rest klopt het grotendeels wel, wat de inleiders in hun inleiding onder het hoofdje ‘politiek’ schrijven.

En wanneer men het over de taal zelf heeft, dan zou men systematisch moeten spreken over ‘Nederlands’ als overkoepelend begrip, en over het ‘Vlaamse Nederlands’ wanneer men het over de variant in het Zuiden heeft. (Zo bestaat er bv. een mooi boek van Robert Sedlaczek: Das österreichische Deutsch. Wie wir uns von unserem grossen Nachbarn unterscheiden. Ein illustriertes Handbuch, Verlag Carl Ueberreuter, Wien, 2004.)

Het is zo gemakkelijk alle misverstanden daaromtrent te vermijden wanneer je zoals hierboven omschreven systematisch te werk zou gaan. Maar ook daarover maak ik me uiteraard geen illusies.

En dat de bloemlezing niet representatief zou zijn, zoals met name Philip Hoorne in enkele bijdragen in Knack suggereert? Als je zelf de geschiedenis van de Vlaamse letteren een beetje kent, en regelmatig eens een nieuwe bundel koopt, dan weet je uiteraard wel beter. Natuurlijk zou ik een andere keuze gemaakt hebben, zou ik sommigen wel hebben opgenomen, anderen niet (van degenen die één gedicht kregen, bedoel ik), zou ik van sommigen meer gedichten hebben opgenomen, van anderen minder. Maar daar gaat het niet om. Representativiteit betekent ook keuze. En van alle namen die Hoorne in een van zijn stukken opsomt, is geen enkele representatief. Zij hadden erbij gekund, zij hadden anderen kunnen vervangen desnoods, aan de representativiteit van het boek zou dat geen jota hebben veranderd. Alle grote, belangrijke, invloedrijke…dichters staan erin, met een aantal gedichten dat overeenkomt met hun belang (waarbij weer gezegd moet worden: ja, soms zou ik misschien eentje minder of meer hebben opgenomen, maar dat is echt muggenzifterij, het zoeken van spijkers op heel laag water).

En dan is er natuurlijk de bloemlezing zelf – een ‘Fundgrube’. Je ontdekt veel terug van wat je vroeger (voor mij vooral: de jaren zestig) gelezen hebt, maar daarnaast ook vele nieuwe dichters uiteraard, en niet alleen de jongste generatie. Of je ziet bepaalde dichters in een totaal nieuw licht. Ettelijke decennia geleden heb ik de hele Reninca gelezen, maar wat me in twee van de drie hier gekozen gedichten opvalt, is me voorheen nooit opgevallen: dat verlangen van vrouwelijke mysticae naar pijlen, boren en andere voorwerpen die diep in hen doordringen. Je zou bijna denken dat Freud zelve hier gekozen heeft.

En dan een bijna onwaarschijnlijk contrast als dat op de pagina’s 170-171: Leus en Moens krijgen elk één gedicht, terecht, want Moens behoort eigenlijk tot de generatie van Van Ostaijen, en Leus is geen dichter. Een anti-Vlaamse versus een Vlaamse geloofsbelijdenis, telkens in zeer sterke bewoordingen toch (wat het anti-Vlaamse betreft: een gedicht uit Jaja (Freddi de Vree als Marie-Claire de Jonghe) uit 1969 zou nog veel scherper geweest zijn, maar dat was waarschijnlijk niet de bedoeling van de samenstellers). Dit relativeert ook een andere discussie over deze bloemlezing, nl. die over het begrip ‘nieuw’. Elk gedicht is ‘nieuw’ op het ogenblik dat het geschreven wordt, maar het is niet noodzakelijkerwijze actueel. Leus leuzen waren dat zeker wel in 1968, Wies Moens was dat zeker niet. Maar Leus doet vandaag de dag zeer gedateerd aan (laten we niet vergeten dat er al decennia lang geen vertegenwoordigers van links meer in de parlementen van België zitten), terwijl het gedachtengoed van Wies Moens levender is dan ooit – zowel in Vlaanderen trouwens als in Nederland, in Dietschland zou je dus kunnen zeggen.

Hoe dat ook zij: het poëziecentrum verdient een pluim voor dit initiatief, en de samenstellers mogen wat mij betreft in de straat hiertegenover komen poseren bij Wilfried Pas.

Delen:

6 reacties

  1. Mijnheer Peter (Bormans?),

    Ik neem aan dat uw professoren u leerden lezen. Daarom raad ik u aan eens op de Contrabas mijn bijdrage over Hotel New Flanders te lezen, waarin het woord fascisme niet valt. U die zo goed primaire teksten hebt leren lezen, haalt uw informatie blijkbaar tweedehands uit de Knack, waarin een redacteur van Yang geciteerd wordt die op ontoelaatbare wijze verwijst naar een eerste versie van mijn tekst die ik op eigen initiatief heb teruggetrokken.

    Normaal gezien reageer ik niet op beledigingen – zeker niet van mensen die geen familienaam hebben – maar aangezien deze vermoedelijk van iemand komt met wie ik op een ander terrein moet samenwerken, vraag ik langs deze weg openbaar om uw excuses.

    Met enige droefenis om het peil van uw weblog,

    Hans Vandevoorde

    P.S. Ook ben ik geen hoogleraar maar een nederig docent.

  2. Geachte Professor Vandevoorde,

    Nee, mijn professoren hebben mij niet leren lezen; dat hebben mijn ouders en een tante gedaan, en daarna de onderwijzers op de lagere school.
    Uw bijdrage aan Contrabas, waarin het woord fascisme inderdaad niet valt, heb ik gelezen. Daarnaar verwees ik niet, maar wel naar de oorspronkelijke versie. Of ik die via Knack of Yang of nog een andere weg in handen heb gekregen, weet ik niet meer. Overigens siert het u dat u die versie op eigen initiatief terug heeft getrokken. Ook hoogleraren kunnen tenslotte fouten begaan, zich vergalopperen. Dat vind ik helemaal niet erg. Het komt er alleen op aan hoe je reageert wanneer je je fouten inziet.

    En wat dat betreft komt u er niet al te best uit. Of u dat nou leuk vindt of niet, uw oorspronkelijke tekst circuleert, en dus zal er af en toe wel eens naar verwezen worden. Zeker als u zo gepikeerd blijft reageren als hier. Dat nodigt ahw uit om nog wat zout in de wonde – die er overduidelijk is – te smeren.

    Excuses geef ik enkel wanneer ik iemand letterlijk op de tenen heb getrapt. Nooit omwille van iets dat ik geschreven heb. Als iets u niet aanstaat dat kunt u altijd reageren – wat u ook gedaan heeft. En ik publiceer alle reacties, zonder enig onderscheid. En als iemand gefundeerde opmerkingen maakt over een tekst, dan hou ik daar rekening mee en verander ik de tekst.

    Als iemand het peil van mijn weblog goed vindt, is mij dat goed; als iemand het peil van mijn weblog afschuwelijk vindt, is mij dat ook goed. Als er iets is dat mij koud laat, dan wel dat. En dat meen ik nog ook.

    En wat die nederigheid betreft, die mag u gerust afleggen hoor, want u bent wel degelijk een hoogleraar. Ik gebruik dat woord in de algemene betekenis, als synoniem van ‘professor’, zoals het bijna altijd gebruikt wordt. Ik citeer van Dale: “iem. die (min of meer) voltijds een functionele leerstoel bekleedt en die uit hoofde daarvan het recht heeft tot het afnemen van universitaire examens en tot het optreden als promotor.” Je zou nog kunnen redetwisten over de ‘functionaliteit’ van de door u beklede leerstoel, maar laten we ernstig blijven. U valt volledig onder die definitie.
    Waar u mee verwart, is de administratieve graad die u officieel heeft, en dat zal wel die van ‘docent’ zijn. Maar dat is iets anders.

    Met vriendelijke groeten,
    Peter (inderdaad Bormans)

  3. Morgen zal ik uit de kladversie van uw door iedereen zeer bewonderde proefschrift over Elburg citeren en maar hopen dat u geen fouten daarin hebt gemaakt. Hieronder druk ik speciaal voor u de mail af die ik op 18 december 2008 aan Piet Joosten heb geschreven toen ik mijn nieuwe versie stuurde waar zoveel commotie over is ontstaan en die ten slotte op de Contrabas met enkele minieme wijzigingen is verschenen. Op grond daarvan hebt u geen enkel recht om een kladversie van mijn tekst in handen te hebben of ernaar te verwijzen.

    Als een echte professor leg ik u ten slotte eens het verschil uit tussen een professor en een hoogleraar. In Vlaanderen mag iedereen die als docent aangesteld is aan een hogeschool of een universiteit zich professor noemen. In Nederland is alleen professor wie een leerstoel bekleedt. Wat ik dus niet doe. Zowel in Vlaanderen als in Nederland zijn er maar een handjevol hoogleraren.

    Hans Vandevoorde

    Op 18-dec-08, om 02:58 heeft Hans Vandevoorde het volgende geschreven:

    Beste Piet,

    Hierbij een nieuwe versie van mijn tekst. Met dank voor de opmerkingen. Vergeet en verscheur de vorige tekst en oordeel dus definitief op grond van deze. De wijzigingen kun je zien via track changes.

    Veel groeten,

    Hans

  4. Geachte Professor Vandevoorde,

    Een ‘versie’ is geen klad.
    Ik was niet de eerste om naar die versie te verwijzen, anders zou ik er gewoonweg niet van op de hoogte zijn geweest.
    Het klad en de vroege versies van mijn werk over Elburg zijn vernietigd. Ik hou zoiets nooit bij – noch van mezelf noch van anderen overigens. Maar in het andere geval zou ik het u graag gestuurd hebben, kon u er vrijelijk uit citeren. Mij stoort zoiets helemaal niet. Ik schaam me niet voor mijn dwaasheden.

    Ik neem aan dat hetgeen u over het begrip ‘hoogleraar’ zegt, klopt. Maar ik geef toe dat ik me nooit verdiept heb in het professorendom, in al hun graden en hoedanigheden.

    Met vriendelijke groet,
    Peter

  5. Van mijn tekst ‘Het Nieuw Vlaams Getto’ is slechts één versie gepubliceerd, op de Contrabas. Op grond van de bovenstaande e-mail aan Piet Joosten, redacteur van Yang, blijkt dat u wederrechtelijk in het bezit bent van een tekst die voor mij niet meer bestaat. Ik wens dan ook niet beledigd te worden op basis van een kladversie en eis nogmaals publiekelijk en voor het laatst uw excuses.

  6. Net zomin als ik u ooit geciteerd heb, ben ik in het bezit van een van uw teksten, in klad of niet.

    Belediging is enkel aanwezig in uw eigen hoofd. Daar kan ik geen rekening mee houden.

    Nog onafgezien van het feit dat er geen enkele reden is mij bij u te verontschuldigen, verdient u gewoonweg geen excuses.

    En omdat ik dit soort ‘discussies’ beu ben, verban ik u hierbij van deze website.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


17 + tien =