Katholieke Gedichten

| Geen reacties

Praise the Lord,
I saw the Light.

Hank Williams

introïtus

wat was dat voor een vader
naar wiens altaar we opzagen
en die onze jeugd verblijdde
met zijn eeuwigdurend licht?
welke weg weg van mij is hij
opgegaan? welk kruis heeft
hij uiteindelijk zelf gedragen?

en hoe leeft hij verder in ons
doorheen al die eeuwen der
eeuwen? in ons hoofd? in ons
hart? of is hij zonder enige
smart voor eeuwig verdwenen?
om plaats te maken? voor een
andere allesverslindende zon?

lopen wij rond in kringen intussen?
met doorkraste gezichten wachtend
op de kraaien? terwijl de haaien
ons telkens weer inhalen? en
doorhalen? welke wereld is dit
die wij binnentreden met
gekrijs op verzegelde lippen?

akte van ongeloof

geloof het maar!
dat sprookje van die verlosser
die sinds mensenheugenis
en overal voortdurend
losjes aan komt hossen!
zijn klos kun je worden
en daar houdt het mee op.

geloof het maar!
want alles wat je aanneemt
als waar is enkel bijgeloof.
god zelf hangt als een zijden draadje
diep in je brein te wachten
op een ander tij en je klachten
worden nooit aanhoord.

geloof het dus maar
wat in je hart geschreven staat:
er is geen weg naar waar
wat dan ook te winnen valt.
de huid is de buitenkant
rond stilstand en leegte
met soms beweging binnenin.

KRUISWEG

veroordeling

vanaf de geboorte al veroordeeld
tot een onbekende dood gaat hij
vooreerst door moederlijke woestijnen
van liefde op weg naar die stilte
die hem dichtstamelt vanaf dat
begin. in de anderen de hoeders
van de wet breekt hij zijn eerste tanden.

er is geen kunst geen kunde aan:
je moet je weg slechts gaan tot aan
het einde en zonder aarzelen.
en als de steen terugrolt naar beneden
begin je opnieuw van vooraf aan:
en zo zal het eeuwig verdergaan
steeds weer in anderen dezelfde barre tocht.

het kind dat in zichzelf verborgen leeft
kent nog die afkeer niet het beeft
voor alles wat bekend en schuldig is.
maar een gemis groeit met de dag
en put hem uit. die leegte vullen
de afgrond diep in zichzelf verhullen
zonder woorden of gebaren vooralsnog.

opneming

aanvaard je kruis! zei men in vroeger
dagen. niks viel er te wagen toen
laat staan te winnen. buiten zinnen
beginnen wij aan onze dagelijkse
zonde die zonder ooit af te ronden,
zwaarder en zwaarder wegen gaat
en ons ten leste enkel nog struikelen

laat over hindernissen zonder tal.
wees dan nog gezalfd. ontsnappen
aan jezelf doe je toch niet.
en sinds het land overal van de glimlach
geworden is wordt het niet meer bebouwd.
in plaats van woningen worden
enkel nog ruïnes gebouwd en wij

hebben geen keuze: alle andere wegen
zijn afgesneden. geen bede dient
nog een ander doel dan deze wanorde
zonder einde. treurnis en vreugde
vriezen vast op deze winterweg.
verstomd knakt een laatste stengel af.
een man verdwijnt verweesd in de stilte.

eerste val

een weg is dit die alle wegen
en alle vallen in zich sluit.
die allereerste keer herinner je je
niet meer. maar des te beter
de vele keien het zand het vuur
de scheurende ledematen daarna
van jezelf of van die anderen

die je voorgingen of volgden.
want denk in godsnaam niet
dat je de enige vervolgde bent
wiens lamlendige leven geen cent
waard is. elk ogenblik immers
is voor eenieder een valkuil
vol slangen. bang ben je terecht

te komen in een hel zonder weerga.
vergeet het! nogmaals! want weldra
zie je in dat geen enkele haard
een thuis kan zijn geen enkele
waard te vertrouwen. als een rat
in een val zit je vast in de kooi
van je leven. dat heb je gehad!

moeder

in droom ziet hij zijn oude moeder weer.
zij zwijgt. een uil huilt in de verte.
de nacht weeft draden om haar heen
als van een vege spookverschijning.
haar ook door haar doornagelde zoon
laat haar verweesd achter als
alle zonen. zij buigt het hoofd.

zij sluit de ogen om hem beter
aan te zien: en vol van mededogen
sluit zij zijn beeld dan op
diep in haar ziel als om het
nooit meer los te laten niet
in deze wereld en op deze weg
al weet ze: het zal haar niets baten.

zij knielt voor die haar dodelijke
meester is. de woorden die daarna
uit ongekende oorden naar boven
komen zijn glansloos droef en
ongehoord rollen zij voort diep
in hem binnen tot zijn kruis
te zwaar wordt om te dragen.

simon van cyrene

van wie je ’t hebben moet dat zijn
zoals men zegt je vrienden. pijn
zal het wel niet doen die kleine
hulpvaardigheid. zoals een
kretenzer liegt immers zo leven
wij levenslang aan een kruis.
maar dan die vreemdeling!

die van zijn akker kwam en als
verlamd en stram bleef staan
bij die soldateske opdracht:
neem dat kruis op en wandel
handel alsof je gezalfd bent
en verlosser. wees van je broeder
voor één keer toch maar de hoeder.

en hij legt er zich bij neer. een juk
te dragen of een kruis tenslotte
is het eender en geluk is voor hen
toch niet weggelegd. zo zwoegen
ze wel eenentwintig eeuwen door.
en geven amper voor eigen woede
behoed nooit genoeg aan bloed.

veronica

ook hier gingen eeuwen zonder koolstof
maar van geloof alleen doorheen:
een vrouw en haar doek van
(on)vergankelijkheid. alsof er een
Ware Afbeelding zou kunnen bestaan!
alsof een mens de oorsprong kon zijn
of de moeder die de zege brengt.

verzengd door de passie die hij
niet enkel onderging maar ook
verspreidde bogen zij beiden
voor elkaar nadat hij zijn beeltenis
achterliet in haar lichtere doek:
ondenkbaar licht dat lichtdrukmaal
dat toch beklijven blijft bij

al die veel te velen. hij buigt
zich naar de grond opnieuw
en laat haar eenzaam achter
daar aan de rand van die weg
zonder eind: een vreemde bekende
vrouw een moeder wellicht
of was het een van zijn beminden?

tweede val

zoals het allereerste Rome viel
zo valt vandaag het tweede.
goudhaantjesgebied valt voor haar
amper nog te bekennen. verder
jennen tot ze dood valt
voor altijd is het parool van
hen die aan de wegrand staan

vol wrok en achterdocht en ook
terechte angst om meegesleurd
te worden in die draaikolk
van een ordeloze tijd vol boosheid.
dat men rode oker erover strooie
als over het ultieme graf
van een uitgestorven soort.

de grote natuur brengt anderen
voort dan deze overbodige zoon
en zijn ontelbaar nageslacht.
zij lacht altijd het laatst
en op de valreep desnoods.
zoals met die dertiende blok
die de twaalf opnieuw voorafging.

wenende vrouwen

dat kunst ook troost kon zijn
wist hij niet. en was ook nooit
de bedoeling hoogstens een gunst.
van zijn vader? of van die verrekte
tripelganger van een duif?
en wie van de drie was het
die troosten moest tenslotte?

wie zijn die vrouwen langs de weg?
zijn hun dochters verdwenen
in de duisternis zo dat de wereld
niet meer ophoudt met wenen?
er is geen troost dan in de leugen.
en enkel leven zonder heugenis
kan steun gemoedsrust en vertrouwen

geven. de vrouwen verdampen
inmiddels in de mist van bloed
in zijn ogen. elk mededogen
geldt alleen zichzelf, zo weet hij.
maar toch omhelst hij hen met
die blik vol schrik: een boom
die later zijn eigen bladeren versmoort.

derde val

blok voerde tevergeefs de twaalf aan
met hem: ook dat verging
het derde Rome. want ook wat
voor de val komt kan slechts onzin
zijn. wijn wordt enkel bloed hier
en van die ouwels zal in zijn naam
voortaan alleen nog onaangenaam

deeg worden gemaakt zonder enig
soelaas. zoals hij helaas storten
ook wij voortdurend in en wat
overblijft is een bouwval vol
fall-out van wat eens mensen
waren en die niet tot bedaren
kunnen komen in hun moordzucht.

geen lijn blijft over om een zeil
te hijsen. alleen glanst in de verte
al een halve maan over de
gevangenen die blijven vallen:
ook deze verlossing ook dit heil
ook deze zaaddodende zalving
is enkel verraad zonder medelijden.

zonder kleren

daar waar die halve maan omhoog
gaat is geen licht. maar evenmin bij hem.
alleen een stomme stem trilt
in hem na nu hij kil als de hemelen
in nevelland aan de voet staat
van zijn uiteindelijk kruis
beroofd van zelfs de laatste lompen.

is er ergens een land dat vrede
betekent vraagt hij zich af
en rekent enkel nog op een antwoord
van bloed en diepere doornen.
hij sluit de ogen buigt zijn rug
krom en keert terug naar toen
zijn wereld nog ondenkbaar was.

naakt staat hij voor zijn beulen
en – iedereen is eenieders beul –
hij kraakt totaal in elkaar
als hij de spijkers ziet. geen gebaar
blijft mogelijk in dat laaiende licht.
geen verweer. iemand in het geweer
om hem nogmaals bij te staan.

vastgenageld

was het wel een soldaat in dat leger
van huurlingen die de hamer
hanteerde en die veel later
een vis tekende in het zand?
of is dat weer een verzinsel
van één van die dichters
die zich rond zijn kruis schaarden?

ook dit is onderwerping zoals later
bij die andere profeet. er is geen
verschil. kil van eenzaamheid
laten zij hun volgelingen achter
achterlijk van neerbuigendheid
tegenover hun vermeende minderen
menen zij zich een deel van hemzelf.

dood aan dat kruis zo luidt het parool
een zoon van god of van satan
verdoolden van elke soort
vormen één moordzuchtige
familie. en elke bergrede bergt
in zich ontelbare hoeveelheden
tot angstkorsten gestolde bloeddorst.

sterven

zoals de angst voor het sterven
erger is dan het sterven zelf
zo groeit in het hoofd van de mensen
een bloeiende boom van dood
en duisternis. luister is hier
ver te zoeken. hoewel de boeken
later helemaal anders zullen preken

uiteraard. een denkbeeldige geest
wordt over hem vaardig intussen.
gedrenkt in azijn sluit hij
voor het laatst de ogen en roept
zijn moeder aan beneden zich.
wat is een mens van licht anders
dan een schaduw in het donker

kermend stervend tot hij eindelijk
bij Innemee kan wonen? lonen
doet het niet tenzij zo’n einde
een beloning zou zijn. voor
een leven van opstand van enkele jaren?
zoals een veldslag die gewonnen
is en ook verloren? zo uitverkoren?

afname

alles was as zo zei de dubbele
lichtman eertijds. zo ook dit lijf
grauw en grijs van bedorvenheid
en zonder onderscheid met die bij
leven zijn vlekkend vlees zonder verder
vragen naar beneden van het kruis af
halen. wij balen er inmiddels van

maar zij nog niet toen zij niet enkel
lijken maar bergen wisten te verzetten.
maar de daver die dit kadaver
veroorzaakt heeft kenden zij nog
niet. haal het af dus van dat kruis
en laat het onvervangbaar zijn
voor eeuwig verlost van die last.

wie blijven zijn de vrouwen daar
beneden en de vrienden. door
de eeuwen en eeuwen doen zij
in het goede en het kwade verder
in zijn en andermans naam.
hun slechte faam gaat hen bij ons vooraf.
zij leven voort als doden in hun graf.

graflegging

neergelegd en doorgegeven in graven
van vlees lag de vierde nacht
al krachteloos terneer in alle
andere oorverdovende profeten.
vrees werd de algemene leus
gedurende al die woedende eeuwen
waarvan het bloed ons geeuwen

doet tenslotte. zelf verworden
tot een grafkuil voor alles
verdorden wij met neergeslagen
ogen en holden onszelf uit
tot buit van niets. wat wogen
wij uiteindelijk? voor wie
dolven wij die diepe kuil?

werd ons in ruil iets beters
gegeven? wat is overgebleven
buiten gras en de lichtste lucht?
geen as geen aarde meer straks
niet eens meer die groeve van stilte
in een zwijgend verdwijnend hart:
gezicht van zand aan de rand van de zee.

akte van weerzin

van die drie het meest?
vergeet het maar! enkel een beest
blijft over uiteindelijk of een eunuch
die boeken leest en zwijgt.
en aan een huid groeien enkel
mee-eters en microben: zuur van
parasieten en ziekte het leven

dat zichzelf doorgeeft en behaagt
maar met ponjaard of partizaan
of met een simpele druk slechts
op één knopje zichzelf ook weer
tenietdoet uit liefde weerom.
en ook Heer Hoofd kan pogen wat hij wil:
stom en dom zijn erfenis een paskwil.

zelfs van dat verlangen binnenin
de dingen blijft geen woord over
dat beklijft: een zucht wat
dunne lucht een aflijvig lijf
katijf of karonje vrouw of man
de tijd doet alles wat hij maar kan
met de enige mantel van liefde.

zeven zonden

zeven deugden

hoogmoed

nee dan liever die drievoudige loochenaar
afbrokkelende rots waarop niets gedijen
kan en waarop je niks bouwen kunt.
hij is tenslotte zoals ik maar wel een
man. waar hij zich thuis voelt?
zoals ik bij die vernederd zijn
bij de vertrapten waarop die anderen

voortdurend kappen. de ploerten en
plaatsbekleders van de eeuwige
waarheid en het onstuitbare
gelijk. hun hoogmoedige lijken
stinken verder doorheen de eeuwen
en kweken alle kwalen uit die
vermaledijde en hopeloze doos.

voos volk dat elkaar bewierookt
in van eigendunk doorrookte
paleizen. wij houden ons gedeisd
intussen. in afwachting van betere
tijden? vergeet dat maar. steeds
keren zij terug in een altijd
eendere veranderende vermomming.

nederigheid

enkel dat lichte licht in je hoofd
diepe en oorverdovende stilte
doet verwaandheid teniet
en lost de kilte van het leven op
tot iets dat van verre een ster
lijkt. het blijkt voor één ogenblik
géén vergissing géén miskleun.

zoals Greet werd gered door
haar eigenste vader. maar wie
zal zorg dragen voor ons nu
vaders enkel nog onheilige
en ongeinige geesten zijn
zonder zonen? of zoals wij
zonder zonde en opgesloten

in onze eigen onderdanigheid
van helderzienden die ziende
blind lomp doorstrompelen
naar die slikkende afgrond
in ons. zo knielen wij dan neer
voor deze laatste daaste
leegte in walgelijke wanhoop.

hebzucht

voor veertig jaren schreef ook ik
dat ik rijk wou zijn aan de tafelen
van dat late Rome. maar leven
in zo’n stad volstaat om ander
leven te koesteren: enkel de pausen
papen profeten en andere proleten
eten zich vol en rond in die tijd.

maar viefer dan het politieke triefel
vind je vaneigens vanouds geeneen
om zichzelve klinisch te bedienen.
alsof het altijd winter lijken zou
kijken zij toe hoe zij ons beroven.
aan een mogelijke oplossing geloven
wij niet meer. hoe ze neerkijken

op ons in hun vale gierigheid.
wrede velden van vrede hebben ze
voor ons veil. enig heil hier
in deze overvloed is niet te
vinden. enkel op een laatste vloed
kunnen wij nog hopen die hen
voor eens en voorgoed weg zal spoelen.

gulheid

zoetvloeiend zoals dichters hun
woorden strooien over hoofden
loom van moeheid en verlangen
naar ontbinding. even slechts
flitst het licht bang op in
hun ogen. dan verstarren zij weer
en onbewogen luisteren zij

naar wat hen ongevraagd gegeven
wordt. tot verrottenis toe
worden zij mild. en geven.
heel even nog. tot die doos
ook in hen zich weer oeverloos
opent. en dezelfde leegte
achterlaat hetzelfde zwijmelende

zwijgen. even nog neigen zij
naar elkaar en zonder misbaar
sluiten zij zich af en op zoals
hun heersers in een cocon
van eenzelvige en opgelegde
zelfgenoegzaamheid. in hun hart
heerst de milde stilte van de dood.

onkuisheid

zoals de goorste goden in de goorste
hoofden wonen zo wordt elke soter
een sater voor hen die tochtig
zijn van god. niet mak zijn zij
en niet meeps. leep wonen zij
in hun gelijk als een god van goud
in frankrijk. moord kleurt hun dag.

vermorzeld vlees kleeft aan hun
handen. liefst in Zijn naam.
tanks die als runentekens schrapen
over huid en been tot iedereen
op apegapen ligt die ontsnappen
kon aan vogels van en vol
verbijsterend metaal en vlammen.

de hel is niets. een huiverend land
wordt gezuiverd van mensen
want hier alleen ligt die bloedrivier
waarin nooit hun schunnige
schimmen koken. met geloken
huichelogen zien zij hun werk
aan en bidden om meer.

kuisheid

er is geen zuiverheid in deze wereld
of in enige andere. gedroomde
spelen zijn verboden spelen. kinderen
hinderen omdat ze redeloos en
hopeloos volwassen zijn. reinheid
is een woord zonder waarde
uit een tijd die nu geheid voorbij is.

lenig en lustvol als larven in een lijk
zo stuiven voorwaar de mensen
door elkaar in hun wereld
waar niks zo is als het lijkt
en alles voortdurend verandert:
mooie dieren soms wriemelen
zij als mieren door een mesthoop

naar hun onherstelbaar einde.
zij genieten daarbij van elkaar
als schimmen op een potentiële
dodenbaar en brengen broedsel
voort in één eindeloze rei
een rondedans van lijven met één doel:
zij zuiveren de wereld van zichzelf.

woede

woede is goed. tegen de protserige
proleten van de macht en de nacht.
woede is goed en behoedt ons voor
wat bitter en bedroevend is: berusting.
koesteren wij derhalve onze woede!
tegen het gespuis dat ons een leven lang
bevelen geeft. tegenkracht! tegen!

maar zonder ooit te hopen op enig
loon of op een afzienbaar einde
de weg vervolgen die vol putten
en kuilen wellicht naar nergens
voert. zonder huilen voortgaan.
zonder beven. en zonder ander streven
dan het felle vuur te laten

branden en dan door te geven.
over geen enkele stilte in ons
kunnen wij ons buigen en zo
worden wij nooit te licht
bevonden al zijn we vondeling
vanaf het begin. voor de goede
orde blijven we even nog in leven.

zachtmoedigheid

lijdzaam en lankmoedig als een kat
die stilletjes gaat sterven verbergen
wij ons soms in het diepst van
een ander met een moed die
enkel van dieren kan zijn maar
zeldenst van mensen. alle hens
aan dat denkbeeldig dek dus

om die wens daar waar te maken
waar wij uiteindelijk verblijven
willen: een plaats die nergens is
en blijven zal.
de harde kern
van alle dingen doen smelten
ons is het niet gegeven we zijn
te zacht nog om voor held te spelen.

zoals water en wind van een steen
weer een kind kunnen maken
zo geduldig moet de moed zijn
waarmee tegenspoed opgevangen
wordt en zelfs geen treurnis
hangen blijft om het grondeloze
lot van alles wat tot leven komt.

gulzigheid

wie gul is voor zichzelf moet
gul zijn voor eenieder. zoniet
wordt de strot van overvloed
welig en wanstaltig. geen
gauwdieven meer maar rovers
gelakt en gelikt vanbinnen en
vanbuiten. enkel duiten tellen.

en de vette gouden goden diep
in hun gore grijpgrage hoofden
loofden zichzelf en hun buiken
vol van het grote vreten
van de drank zonder droesem
van de gretige gulzigheid
van een onverdiend geluk.

gretig graaien zij naar elkanders
vet als klet kleven zij vast
aan de zwaarder wordende last
van hun hebzucht. geen licht
te bespeuren aan deze lillende
lijven. vlees beklijft niet maar
zwicht tenslotte onder eigen gewicht.

matigheid

met welke magere maat moet men
meten? kan die de maat van
alle dingen is ook matigheid
betrachten? zonder zijn krachten
te boven te gaan? dat moeten
wij geloven? wie zal ons behoeden
voor zo’n onstuimigheid?

geen enkel mensenkind is vrij
bij de geboorte. er is geen grens.
er zijn geen letters en geen
woorden. niets begint en niets
houdt op. later pas op andere
plaatsen en een ander uur zal
men leren minder te zijn dan

men is. minder dan die heren
daarboven die zich de gelijken
van hun laffe goden wanen. zij
banen zich hun wegen door
ons vlees vette mateloze
maden van de macht. die zoals
wij verdwijnen in de nacht.

afgunst

hier woont geen nijdas geen zeloot
geen wij of ik of hij of zij geen
gunstentrekkers die afgunstig
stemmen of het zelve zijn. er
valt niet te zwichten voor die god
die ooit een jeugd verlichtte
als de dood waar allen eens

gelijkelijk naar haken. als
gelijken. als mens en zonder
wensen. en gedwee wellicht
en opgejaagd verdwaasd als vee.
zij sluiten met de ander ook
zichzelve uit en worden
buit voor wie hen plukken wil.

de oorlog van allen tegen allen
is het ultieme doel dat koel
en welbewust wordt uitgewerkt.
alsof het altijd winter blijven
zou in al die hoofden. geloofden
zij werkelijk dat het matte
brandsas elders beter was?

naastenliefde

zoals het hemd nader is dan
de rok? uit ons hok gelokt
door een onbestaanbare god
van barmhartigheid of door
de blote nood van een
medemens? alsof het eigen
gedrens nog niet volstaan zou

om de kou van een overbodig
leven te trotseren. we zijn allen
deerniswekkend en dom. zonder
spijt heerst alom het eigen
kleine gelijk. tot die andere
god van het noodlot toeslaat
met totaal verblindend inzicht.

zo graven wij in elkaar niet meer
alleen naar onszelf zoals in den
beginne toen het licht werd
langzaam. we zwijgen voortaan.
we vatten een andere weg aan
waarop we aarzelend samen
naar een eigen eenzaam einde gaan.

traagheid

dat de tijd trager zou gaan
en vadsiger zoals de trage
dagen waar van eeden over
sprak? leugentjes en niet eens
om bestwil. gemakzucht. meer
niet. omdat wij ouder worden
en moedelozer en vermoeider.

de tijd stolt niet. maar gaat
verder zonder ooit nog op hol
te slaan. traagzaam. zoals
we de anderen weigeren aan
te zien laat staan een hand
te reiken. mos op onze stem.
brak water. geen vis meer

tussen het gele verdorde lis.
zonder lust dobbert het water
rustig voort. traagheid haalt
alle hoofden in. elke mogelijke
zin verwaait. totdat hij komt
de ultieme vriend die ons
en alles langzaam maait.

ijver

die jongen toen vol ijver en ijverzucht
hoe is hij met de langzame jaren
voorbijgegaan tot dit machteloos
en krachteloos verblijf in een
lijf van haken en ogen en
zonder mededogen. alles wat
hij verlangde kwam bijna uit

zo snel en werkzaam leefde
hij naar nergens toe. zonder boe
of ba geschiedde hem weldra
wat hij naarstig als de bij
nooit uit zichzelf gewenst zou
hebben. luiheid immers is best
wel gezeglijker en gezelliger.

en ook nu zijn tijd eindelijk
eindigen gaat laat hij gods
water over gods akker vloeien
en vervloekt de boeien niet
meer die hem binden. traag
en trager ziet hij verzwinden
wat in hem steeds sneller gaat.

akte van wanhoop

roepen uit die of uit een andere diepte
doen wij al lang niet meer.
keer op keer werd de blik grijzer
waziger het beeld en wijzer
het oog dat enkel nog naar binnen
kijken kon en zich dan sluiten wou
voorgoed gegriefd door die helse kou

van een wereld van waan en waanzin
waarin geen buiteling meer mogelijk is.
alles sterft. in de knop zit het verderf
al en de rottenis. van de vetgemesten
in het westen tot de troosteloze
lijken in meer zuiderse gewesten
gaat iedereen en alles erg terecht teloor.

zo is het goed. niets moet er zijn.
wij zijn alleen dat vlot vol lijven
dat over wateren van onbehagen
en door stormen zonder eind
zich naar een afgrond spoedt
zoet van onpeilbaarheid en zonder
rem of anker verder weg van elk wonder.

itus

zoals er nergens een begin is
zo is er evenmin enig einde
geopenbaard of enkel maar
zichtbaar daarginds aan een
onherstelbaar verre horizon.
zoals men de laatste stilte hoort
als men maar luisteren wil.

steeds weer met verstomming
geslagen door een wereld die
steeds weer naar een afgrond
raast daast de mensheid
intussen verder met woorden
die elke betekenis verliezen
en in brakke monden bevriezen

uiteindelijk. een lijkgeur stijgt
op en een zwarte strontlucht
verstikt de laatste adem van de
weerzinwekkende klucht die leven
heet. maar wij beven niet.
wij sluiten de ogen en vouwen
de handen. en kotsen ons leeg.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


3 × 5 =