Drie Nederlandse en een Engelse roman

| Geen reacties

Ik heb mij voorgenomen dit jaar – het voorlaatste van mijn actieve leven – regelmatig, dit is minstens één per maand, romans te lezen, vooral nieuwe maar af en toe ook eens een oude(re), en daar in deze dagnotities als het enigszins kan, kond van te doen.

000

Het moet in mijn studententijd geweest zijn, dat ik van John Updike – ook al zo’n eeuwige Nobelprijs-kandidaatRabbit, run gelezen heb, later gevolgd door enkele vervolgen daarop. Ofschoon ik mij van het boek zelf nog nauwelijks iets herinner, weet ik wel nog dat het me sterk aansprak.

En nu, bijna veertig later, is er Terrorist (Alfred A. Knopf, New York, 2006). Gelezen op de eerste plaats omwille van de titel, het onderwerp uiteraard. Maar ook omwille van de schrijver toch, ook al heb ik die dan niet meer verder gevolgd na mijn jeugd.

Het boek vertoont alle kenmerken van een schrijver die zijn ambacht volkomen beheerst. Er valt, om het met Hermans te zeggen, inderdaad geen mus van het dak zonder dat dit binnen de structuur van het boek een betekenis heeft. En die structuur is tamelijk eenvoudig: een rechttoe-rechtaan-verhaal dat grotendeels rond de hoofdpersoon, Ahmad, gebouwd is. Deze jonge man heeft net de high school verlaten en zoekt een job, die hij vindt als vrachtwagenchauffeur. Hij is de zoon van een Amerikaanse, min of meer ongodsdienstige vrouw, en een Egyptische vader, die het al heel vroeg is afgetrapt. Op zijn elfde is Ahmad actief moslim geworden. Updike suggereert het hele boek door, maar zonder dat dit ooit opdringerig wordt, de betekenis van het verlies van de vaderfiguur, en hoe de jonge hoofdpersoon surrogaten zoekt, op school, in de moskee, in de werkkring.

Updike suggereert veel meer dan hij expliciet zegt, en dat maakt zijn boek boeiend. Ook de invloed van de Islam op de jongen wordt zelden expliciet, in godsdienstige of psychologische termen beschreven, evenmin trouwens als de eenzaamheid van de jongen, die hem mede in de armen drijft van zgn. subversieve elementen, die hem ertoe overhalen een vrachtwagen vol explosieven op een drukke plaats tot ontploffing te doen brengen. Of dat lukt moet de lezer zelf maar achterhalen door het boek te lezen.

Naast de hoofdpersoon treden nog enkele figuren voor het voetlicht, op de eerste plaats de moeder uiteraard, die van haar zoon vervreemd is en vice-versa. Een meisje van zijn klas, die prostituee blijkt te zijn in bijberoep. Een joodse opvoeder uit zijn school, die een verhouding met de moeder begint en ondanks zijn depressieve natuur toch om de hoofdpersoon bekommerd is, en dat ook in de praktijk toont. En nog enkele anderen, ook vertegenwoordigers van de regering. Alles drijft naar de explosieve ontknoping toe. Alle figuren zijn enkel geschetst in de mate dat hun verhouding tot de hoofdpersoon belangrijk is voor het verhaal en de ontknoping ervan, een eigen persoonlijkheid hebben ze enkel in functie daarvan; volledig uitgewerkte personages, zoals in lange en uitgebreide romans, zijn het dus niet. Updike houdt de touwtjes strak vast, en beperkt zich tot wat functioneel is.

Hij doet dat in een taal en een stijl die volledig onmodieus zijn; zijn Engels is fraai literair zonder ooit gemaniëreerd of alledaags over te komen, een oefening in evenwicht die eveneens de hand van de meester verraadt, en die wel een verademing is gelet op het modieuze taalgebruik dat je in veel hedendaagse romans tegenkomt.

En toch voldoet het mij niet. Misschien is de ambachtsman inderdaad té sterk aanwezig, houdt hij de teugels té strak, zodat creatieve impulsen nog maar weinig kans krijgen ? Of ben ik gewoonweg te oud geworden ? Of ligt het misschien aan het al te actuele onderwerp ? Ik weet het niet.

Mooi is alleszins het citaat uit de koran, waar de flaptekst mee eindigt: “Of those who plot, God is the best.”

000

Van een totaal andere aard, alhoewel op een andere manier even actueel is Het derde huwelijk van Tom Lanoye.

Seebregts, een zieke homoseksuele weduwnaar wordt, voor geld uiteraard, overgehaald om een schijnhuwelijk te voltrekken met een zwarte vrouw. Hetgeen gebeurt. De bevoegde ambtenaren onderzoeken de zaak – tevergeefs. Die ambtenaren worden door Lanoye op een volledig karikaturale wijze neergezet, hetgeen eigenlijk niet past binnen de context van het boek.

De vrouw blijkt tenslotte een man in België te hebben – illegaal, opgesloten in een vreemdelingenasiel. Seebregts betrapt hen op een bepaald ogenblik, maar voelt zich zelf aangetrokken door de zwarte man. De opdrachtgever van het huwelijk komt nog één keer opdraven…om halfdood geslagen te worden. De twee zwarten blijven uiteindelijk in Seebregts huis wonen, terwijl deze zelfmoord pleegt.

Het verhaal is in de ik-vorm (Seebregts, de hoofdpersoon, is voortdurend aan het woord) geschreven, en alle gebeurtenissen worden ook inderdaad vanuit diens standpunt gezien. Dat maakt het natuurlijk gemakkelijk om volgen: de lezer kruipt a.h.w. in de huid van de zieke en wantrouwige hoofdpersoon, en de snelle, flitsende vertelstijl van Lanoye versterkt die indruk uiteraard nog, evenals het modieuze taalgebruik. Doe daar dan nog een goeie portie sex bij, liefst niet te gewoon maar evenmin te bizar: een goeie sandwich bijvoorbeeld, en je hebt alle ingrediënten om ontspanningsliteratuur te krijgen in de aard van King of zo. Nee, niet Walschap (wiens flitsende vertelstijl veel persoonlijker en herkenbaarder is) en zeker niet Boon.

Lanoye heeft zichzelf meer dan eens als een middenstander omschreven, en ongelijk heeft hij niet: je leest zijn boek in één ruk uit, en dan val je in slaap, en tenzij je er iets over schrijven wil of moet, vergeet je het ook al even vlug. Van Lanoye’s trilogie herinner ik me bv. al niet meer of ik het derde deel nou al dan niet gelezen heb.

Snijdt de schrijver dan geen actuele problemen aan ? Zeker wel. De vluchtelingen, de illegalen, de schijnhuwelijken. Maar daar gaat het Lanoye niet om, vrees ik. Hij gebruikt die problemen vooral vrees ik om, zoals het een goeie middenstander inderdaad past, zijn waar aan de man te brengen. Voor mij niet gelaten natuurlijk. Maar om te weten hoe je actuele problemen op een literaire manier verwerkt, verwijs ik naar de vorige roman, en naar mijn bespreking van een roman van Elvis Peeters, ook op deze website.

Wat mij vooral opvalt is een suggestie op ’t einde van het boek, waarvan ik mij afvraag of Lanoye het inderdaad zo bedoeld heeft. Het zwarte koppel neemt de woning van Seebregts over, die zelf zelfmoord pleegt. De derde wereld neemt het Westen over, dat zelf zelfmoord pleegt. Uiteraard is dat de trend die zich met bijna mathematische zekerheid voordoet, en die alleen maar sterker zal worden. Maar de oppervlakkige manier waarop Lanoye dat probleem aankaart, zonder er dieper op in te gaan, zonder het een beklijvende literaire vorm te geven, brengt zijn stelling eigenlijk dicht bij die van extreem-rechts, dat ook van mening is dat het Westen ‘overspoeld’ wordt, maar dat net zoals Lanoye aan de oppervlakte blijft en mordicus weigert naar oorzaken te vragen of voorstellen te doen om het onvermijdelijke proces in goede banen te leiden. Voor beiden is er blijkbaar maar één oplossing: de een verdwijnt en de ander verschijnt.

Lanoye behoort voor mij hoe dan ook niet tot de ‘schone letteren’. Hetgeen niet belet dat ik deze lectuur best wel ontspannend vind.

000

Op een totaal andere manier ontspannend, en gelukkig totaal niet actueel is de recentste roman van Paul Claes, Psyche, die volkomen past in de reeks romans die Claes eerder al aan historische en/of mythologische figuren of tijdperken wijdde. Waarbij de schrijver zich telkens diep inleeft in het behandelde onderwerp, en soms zelfs de stijl overneemt van een epoque.

Het verhaal is vlug verteld: de roman verhaalt de tocht van keizer Hadrianus samen met zijn vriend Antinoös en hun gevolg doorheen Egypte. De keizer (tweede eeuw na Christus) maakt daarbij kennis met allerlei officiële en minder officiële gezagsdragers, wordt ingewijd in een mysteriecultus, wordt ziek maar herstelt weer, en verliest uiteindelijk zijn minnaar op een onverklaarbare wijze. Maar hij laat een aantal beelden van hem maken.

Veel daarvan is inderdaad volkomen historisch: de reis, de optredende personen grotendeels, de dood van Antinoös, de beelden (van weinig figuren uit de klassieke oudheid zijn zoveel beeldhouwwerken bewaard gebleven als van Antinoös), het aan Hadrianus toegeschreven gedichtje over Antinoös, één van de mooiste uit de Anthologia palatina. Claes is een kenner van de klassieke oudheid, en ook nu heeft hij zich, voor zover dat nog nodig was, goed gedocumenteerd.

Toch is het gelukkig geen pedant boek geworden met allerlei weetjes over de beschreven tijd en de optredende figuren. Wel wordt regelmatig uitleg gegeven over allerlei zaken, maar dat zijn dan zaken die zowel voor de lezer van vandaag als voor de keizer van toen eerder onduidelijk zijn. Er wordt niet gedoceerd door Claes, elke uitleg is werkelijk in de tekst, in het verhaal zelf geïntegreerd, en is ook noodzakelijk voor een goed begrip ervan. Je zou kunnen zeggen dat zoiets het verhaal vertraagt. Dat is ook zo, maar mijns inziens is dat allesbehalve een gebrek. In navolging van Jakobson zou je het zelfs iconisch kunnen noemen. In de tweede eeuw vonden reizen niet plaats in vliegtuigen of hogesnelheidstreinen; alles gebeurde langzaam en geleidelijk, te land of te water, en het was meestal een erg moeizame onderneming. Vandaar het langzame verhaaltempo van Claes. Dat niet belet dat de lezer alert blijft, en zijn aandacht bij het verhaal houdt.

De vorm van het verhaal is klassiek, en ook dat is bij dit gegeven normaal, lijkt me: een alwetende verteller is in de verleden tijd aan het woord. Wel komen nogal wat dialogen voor. Het geheel is geschreven in een soepel en soms poëtisch Nederlands, dat ook weer erg suggestief is. Er treden meer bijfiguren op dan in de vorige besproken romans, maar echte uitgewerkte karakters krijgen ze ook hier niet; er zijn wel meer details, maar de figuren blijven toch steeds bestaan bij de gratie van de hoofdfiguur, waarop vooral gefocaliseerd wordt.

Ofschoon toen nog maar een kleine, veeleer onbetekenende sekte, treden ook de christenen enkele keren op, in overeenstemming met hun werkelijke betekenis steeds bijkomstig, tenzij op het einde, wanneer Hadrianus ook aan het einde van zijn levensweg is, en hij merkt dat zijn geliefde dienaar een christen is. In plaats van hem te straffen, zoals zou moeten, laat hij de jongen echter met rust, omdat ook zijn eigen schuitje de laatste oever bijna bereikt heeft, en hij in een toestand terecht gekomen is die ik met de Stoïcijnen als een van ‘ataraxeia’ zou omschrijven.

Maar die toestand heeft hij enkel kunnen bereiken door enerzijds inzicht, en anderzijds door de betreurde minnaar te vangen en te vatten in kunst, beeldhouwwerken en het beroemde epigram. De verteller stelt het aldus:

“Hij had de wereld doorkruist en had gezien dat het een woestijn was. Hij had zich in de stroom van het leven gestort en had ontdekt dat het de rivier van de dood was. Hij had zich aan een lichaam vastgeklampt en had te laat gemerkt dat hij een lijk omklemde.” (p. 297)

Na dit inzicht is inderdaad niet veel meer mogelijk dan verzaking en aanvaarding. Zoals de Stoa leerde. Zoals het christendom leerde. In die mate is ook het prachtige einde van de roman, waar de stoïcijnse keizer en de christelijke dienaar tot een korte dialoog komen, veelbetekenend én historisch. De raakpunten tussen beide zijn immers legio.

000

In vergelijking met de vorige romans lijkt De verering van Quirina T., de tweede roman van L.H. Wiener, een chaotisch allegaartje waar kop noch staart aan te krijgen is.

Schijnt bedriegt, en de schrijver geeft iets over de helft van zijn boek zelf aan hoe dit opgebouwd is, en hoe het dus gelezen dient te worden:

“Een totaalboek wil ik schrijven, waarin de voort tikkende tijd zich niet lineair voltrekt, maar in stille cirkels en sierlijke spiralen, het heden en verleden zich vervlechten tot een zich almaar verwijdende twee-eenheid, een boek waarin verwachtingen niet afsterven in vergeefse herinneringen, maar uit herinneringen nieuwe verwachtingen worden opgewekt, een boek waaruit een aangehouden grondtoon opklinkt, als van een aangestreken bassnaar, een syntonie van somberheid en schoonheid, die in een harmonieuze versmelting zijn voleinding vindt, als een geluidloos maar veelkleurig vuurwerk van herinneringen.” (p. 196)

Een betere omschrijving en beschrijving van dit boek kun je niet geven; deze zin is immers de kern zelf van de roman: hij beschrijft zowel wat de roman is, wat hij bedoeld is te zijn en wat hij zou moeten zijn. En laat zodoende veel ruimte voor de lezer om zelf te beslissen of en in welke mate de schrijver in zijn opzet geslaagd is, in hoeverre het ‘zou moeten’ inderdaad ‘is’.

Quasi volledig, ben ik geneigd te zeggen.

Het verhaal is eigenlijk eenvoudig: een schrijver (Wiener zelf, want de hoofdpersoon in deze roman is niet alleen een leraar, hij is ook en vooral een schrijver: en wel de schrijver van een oeuvre, dat onder de naam L.H. Wiener op de markt wordt gebracht, ook al heet de hoofdpersoon anders; dit feit wijst erop dat Wiener de auteur is van een oeuvre in de werkelijke zin van dat woord: zijn boeken vormen één samenhangend geheel, en het is dus allerminst toeval dat in deze roman vaak verwezen wordt naar de vroegere roman van Wiener, Nestor, en naar zijn verhalen, want Wiener is op de eerste plaats een schrijver van verhalen) keert terug naar het Zandvoort van zijn jeugd, bezoekt daar de oud geworden moeder van een jeugdvriend, tegenover wie hij eigenlijk erg rancuneus is (die passages doen soms een beetje denken aan Wessel te Gussinklo, die van rancune en ressentiment een handelsmerk gemaakt heeft), hetgeen op het einde tot een uitbarsting leidt. Rond die kern cirkelen dan andere herinneringen, aan zijn ouders, school, leraarschap enz. Maar ondanks de uitbarsting tussen de twee hoofdpersonen, Victor en Catharina, kun je niet zeggen dat het tot een catharsis komt, dat de hoofdpersoon er op welke manier dan ook beter van wordt, tenzij misschien doordat hij inderdaad definitief afscheid neemt van die jeugd.

De titel verwijst naar een leerlinge van Victor, die ogenschijnlijk een ondergeschikte rol speelt in het boek, maar op de achtergrond toch meer aanwezig is en zeker in de psyche van de hoofdpersoon een grote, zij het symbolische rol speelt.

Een mooi vlechtwerk is deze roman geworden, een vlechtwerk dat deel uitmaakt van het grotere vlechtwerk dat Wieners oeuvre vormt. Maar Wiener weet niet alleen goed te structureren, hij schrijft ook boeiend, een beetje koel, maar altijd terzake, persoonlijk maar zonder overbodige uitweidingen. Daarenboven vergemakkelijken de korte stukken waaruit het boek opgebouwd is de lectuur, en ook de afwisseling tussen dialogen, vertellingen, herinneringen, citaten in het Engels (de hoofdpersoon doceert Engels) en een briefwisseling met een lezeres zorgen daarvoor.

Een literaire roman kortom die, zoals die van Claes, de lezer wel wat meer te bieden heeft dan simpele eendimensionale ontspanning.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


18 − dertien =