Noblesse des Francs-Maçons

| Geen reacties

Volgens René Pieyns in zijn Encyclopedie van de blauwe vrijmetselarij “…lijkt het eerste maçonnieke gedicht Noblesse des Francs-Maçons van M. Jartigue te zijn…” (1) Dat blijkt nochtans niet juist te zijn. Zo heb ik op deze website en in de vorm van een brochure een Engels gedicht gepubliceerd dat van iets latere datum is (2), maar een ander vroeger Engelstalig gedicht (3) ligt nog te wachten om een inleiding te krijgen en dan ook gepubliceerd te worden.

Pieyns zelf maakt al een dubbel voorbehoud, enerzijds door te zeggen ‘lijkt’ en anderzijds door in het betrokken lemma te stellen dat het over het eerste lange gedicht gaat, maar dat er wel vroegere korte gedichten bestaan. Dat is juist, en die zijn zelfs niet onbelangrijk; sommige ervan zijn met noten uitgegeven door Daniël Ligou (4) in een mooi en eigenlijk al zeldzaam geworden boekje, dat alvast voor het Franse gedeelte van Europa en voor de Franse vrijmetselarij de oudst bekende gedichten over de orde bevat, meestal odes of gezangen naar aanleiding van maçonnieke plechtigheden en feesten.

Titelblad van Noblesse des Francs-Maçons

Ik denk wel te mogen stellen dat Noblesse des Francs-Macons, ou Institution de leur Société avant le Deluge Universel, & son renouvellement après le Deluge, zoals de volledige titel ervan luidt, en dat in 1756 in ‘Francfort sur le Mein’ verscheen, het vroegste lange gedicht over de vrijmetselarij is in Frankrijk, dat kenmerken vertoont van een leerdicht, en dus expliciet bedoeld is om de vrijmetselarij aan de lezer te leren kennen.

Absolute zekerheid daarover is er echter niet: er bestaat bij mijn weten nergens een inventaris van alle gedichten, die over de vrijmetselarij geschreven werden. In mijn studie over Jan Schouten, die eveneens op deze website te vinden is, heb ik in het comparatistisch gedeelte zo enkele gedichten aangehaald, die niet in dé bibliografie van Wolfstieg (5) voorkomen. Niets bewijst dat er in gesloten of andere archieven of bibliotheken, geen andere gedichten in het Frans te vinden zijn, en van vroegere datum dan deze Noblesse. Maar tot iemand de kracht en de wijsheid heeft opgebracht om dat onderzoek in schoonheid te voeren en af te ronden, moeten we het doen met wat we hebben.

Ons gedicht is anoniem verschenen: ‘Poeme, par un prophane’, zo luidt de ondertitel. Toch wordt het door iedereen die het vermeldt toegeschreven aan een zekere Jarrigue (soms ook Jarigue of Jariques of nog anders gespeld) (6), waarover we echter verder niets weten. Dat maakt het werk uiteraard gemakkelijker voor de commentator: die kan zich enkel op de tekst concentreren. En die is interessant genoeg, alleen al door zijn zeldzaamheid, want er zijn slechts enkele exemplaren van bewaard gebleven (7).

Het lange, meer dan honderd bladzijden omvattende gedicht is in feite een tekst uit één stuk, die ononderbroken doorloopt tot het einde, zonder echte rustpauzes. Weliswaar wordt het eigenlijke gedicht voorafgegaan door een ‘argument’, waarin niet minder dan 38 onderverdelingen in de tekst gemaakt worden, die in de marge van de eigenlijke tekst ook telkens herhaald worden, maar dat doet niets af aan het feit dat we met een doorlopende tekst te maken hebben, en dat de onderverdelingen van het ‘argument’ zowel als de onderverdelingen die de lezer zelf maken kan, in feite arbitrair zijn.

Het geheel van ‘argument’ en eigenlijke tekst wordt nog voorafgegaan door een ‘avis du libraire’ van één enkele bladzijde, waarin het navolgende gedicht interessant genoemd wordt. Meer niet.

Het gebruikte vers is de klassieke alexandrijn, zonder veel afwisseling gebruikt. Enkel de caesuur in het midden wordt soms verplaatst, en af en toe komen we een enjambement tegen. Maar meestal heerst de dreun, jammer genoeg.

Misschien heeft dat te maken met het feit dat het grootste gedeelte van de tekst bestaat uit toespraken van Noé, die aan elkaar gelijmd worden door korte, de volgende toespraak introducerende, verhalende gedeelten. Noé, inderdaad. Het hele gedicht kan eigenlijk gelezen worden als een uitwerking van een passage uit de inleiding van Andersons Constituties (8), waarin de mythische en voor een klein gedeelte ook de werkelijke geschiedenis van de orde geschetst wordt. Mythisch alleen al doordat Anderson de vrijmetselarij laat aanvangen met Adam zelve. Maar wel zeer symbolisch uiteraard, want het betekent eigenlijk gewoonweg dat de geschiedenis van de vrijmetselarij samenvalt met de geschiedenis van de mensheid. Maar na Adam vinden we volgens Anderson o.a. het volgende:

“En wy mogen vryelyk besluyten, zonder op ongegronde verhalen veel acht te slaen, dat de oude Wereldt die 1656 Jaren geduert heeft, de Metselkunde niet onbekent was, en dat door de Familien van Seth en Cain, vele fraie werken opgerecht zyn, tot dat ten laetsten Noach, zynde de negende van Seth, het bevel en lyding van Godt kreeg, om die Grote Arke te bouwen, en of schoon dezelve van houdt geweest is, zo was die doch gebouwt volgens de regulen der Geometrie en Metselkunde.
Noach benevens zyne drie zonen Japhet Sem en Cham, waren zeketlyk drie getrouwe Metselaers, en behoeden voor den ondergang de overleveringe en Konsten der Volkeren die door de Zundtvloed om quamen, dewelke zy overvloedig mede deelden aen hare bloeiende nakomelingen;” (9)

Na de gebruikelijke inleidende invocatie, wordt door Noé en zijn familie een holocaust gebracht (p. 6), waarna uit een extase van Noé de vrijmetselarij opnieuw geboren wordt, en Noé wordt aangesteld zowel als Grootmeester als als opziener:

“Entre les nobles soins dont le Seigneur me charge,
Chers Enfans, il m’impose une importante charge.
Il veut que dans ce jour d’une Société,
Fameuse par ses loix & son ancienneté,
Et dont je suis, hélas ! l’indigne & le seul reste
Echappé par sa grace au Deluge funeste,
Dans ce religieux & modeste apparat,
Je perpetue en vous & releve l’éclat ;
Afin qu’à votre tour vous puissiez le transmettre
Aux derniers Rejettons des Peuples qui vont naitre. » (p.10)

Na veel lofverzen op de mythische stichters van de orde, Tubal-Cain en Jabal – ook dit lijkt een directe verwijzing naar Anderson, want even voor hij over Noé spreekt, heeft hij het in een voetnoot eveneens over deze twee gehad – volgen enkele verzen, waarin de regels en de herkenningstekens, alsook de werkelijke of symbolische instrumenten van de orde beschreven worden, alsmede de reden van geheimhouding en de betekenis van de eed van trouw: “…& dès-lors au reste des Humains,/Elle est supérieure; elle en est separée;/Elle n’est desormais qu’une Trouppe sacrée./Elle entre au Temple où luit la Sublime Clarté.” (p. 27)

Dan daalt uit de hemel de ‘Ange Tutélaire’ van de orde neer, die niet alleen Noé officieel bekleedt met de tekenen van het grootmeesterschap, hem de betekenis van de belangrijkste maçonnieke symbolen uitlegt, en hem tenslotte enkele schriftrollen of boeken overhandigt, waarvan het meest opvallende het derde is, Livre Noir genoemd (p. 36), en waarin diegenen genoteerd dienen te worden die de orde op de een of andere manier belasterd hebben, of haar naam en faam geschaad. Een beeld dat een beetje doet denken aan de naïeve christelijke voorstelling van de hemel, en vooral de poortwachter ervan, Sint-Pieter, die voor elkeen die aanklopt in een boek kan nazien welke goede en slechte punten de persoon bij leven en welzijn gescoord heeft. Meer moet volgens de engel ook niet neergeschreven worden: “N’écrivez rien de plus : Jusq’au dernier des Ages,/Que la Tradition transmette vos usages;/Et que vos saintes loix passant de coeur en coeur,/Du genre Humain mourant achevent le bonheur. » (p.37) Dat is ook het einde van de toespraak van de engel, waaruit nogmaals blijkt, dat de geschiedenis van de mensheid en die van de vrijmetselarij in de visie van onze dichter samenvallen.

Belangrijk in het vorige citaat is ook de nadruk, gelegd op de traditie; hier wordt dit begrip niet verder ontleed of gedefinieerd, maar in de latere geschiedenis van de vrijmetselarij – zoals elders trouwens, waar men het over traditie heeft – zou dit begrip mede aanleiding geven tot ruzies en scheuringen, waarbij de enen het zeer strikt en beperkt zouden opvatten: alles uit het verleden is waardevol en moet ipso facto en onveranderd doorgegeven worden; terwijl de anderen breder en gematigder, moderner denken: alles wat waardevol is in het verleden moet worden doorgegeven, maar aangepast aan de tijd, wat dus ook verandering insluit.

Hierna neemt Noé zelf het roer over, om zijn opvolgers overal ter wereld te installeren. En, in overeenstemming met het hierboven gegeven citaat uit Anderson, zijn dat vooreerst zijn drie zonen: Japhet krijgt Europa onder zijn hoede, Chem Afrika en Sem Azië. Zij krijgen daarbij van hun vader allerlei goede raad mee, die zowel van individuele aard is, als meer algemeen.

Belangrijker zijn echter enkele details in deze toespraken van Noé. Zo valt het op dat er in deze tekst sprake is van vier inplaats van drie graden: “Aspirant, Apprentif, Compagnon, enfin Maitre,/Sont les gradations où l’on doit se soumettre;” (p. 54), zo heet het. Mij is geen enkele andere tekst bekend, waarin de graad van ‘aspirant’ genoemd wordt, alsof het een graad zou zijn gelijk aan de anderen, met een eigen rituaal. Kandidaten zijn natuurlijk allen ‘aspiranten’, en vooraleer effectief ingewijd te worden in de eerste graad kunnen zij eerst een tijdje gevolgd worden (zoals bv. ook gebeurt in Goethe’s maçonnieke romans over Wilhelm Meister), en alleszins moeten zij een korte schets over hun levensloop, verwachtingen, motivatie e.d.m. schrijven. Dat is nu nog zo, en was in de een of andere vorm ook toen al zo.

Opvallend is ook de geest van het Ancien Régime, die op sommige pagina’s nadrukkelijk aanwezig is; de heersende orde wordt gezien als een natuurlijke en vandaar onwrikbare orde, door God zelf ingesteld, en waarin eenieder een vaste plaats heeft, waaraan niets veranderd kan worden:

“Que l’Ordre rassemblé compose une famille,
Où la Loi naturelle & l’égalité brille ;
Sans rompre cependant les liens naturels,
Du Père & de l’Enfant les devoirs mutuels,
Du Maitre et du Servant la juste dependance,
Des Images de Dieu la suprème puissance. » (p.66)

Vandaar dat vrouwen net zomin aanvaard kunnen worden (p.67 – wel wordt het nog steeds gangbare gebruik om twee paar witte handschoenen te overhandigen aan een inwijdeling: één voor zichzelf, één voor zijn geliefde) als ‘les Religieux & les Esclaves’ (p. 68): dit laatste klinkt zeer vreemd, want tot ver in de 19de eeuw waren geestelijken meer dan welkom in de werkplaatsen. Maar onze auteur geeft uitleg: hun superieuren zouden druk op hen kunnen uitoefenen om geheimen te weten te komen. M.a.w.: de hogere geestelijkheid is welkom, maar de lagere niet. Allen zijn gelijk in de loge, kortom, maar sommigen zijn gelijker.

Na de aanstelling van een archivaris, waarvan het grote belang sterk onderstreept wordt, gaat het laatste gedeelte van het gedicht voort met een reeks voorspellingen over de tijd na Noé. Gelet op de tijd tussen Noé en de geschetste ontwikkelingen, die quasi tot aan de tijd van de schrijver, dus de 18de eeuw lopen, en die de hele toenmalige als beschaafd beschouwde wereld omvat, kan het niet anders of dit alles blijft zeer vaag en zeer algemeen.

Een eerste reeks voorspellingen hebben betrekking op de ‘onmiddellijke’ toekomst, met name de koningen David en Salomon, en diens architect Hiram, die persoonlijk aangesproken wordt door Noé. Deze passage eindigt met een korte beschrijving van de Tempel van Salomon (p. 80 vooral).

Een van de belangrijkste punten van die hedendaagse vrijmetselarij, die zichzelf regulier noemt, is het verbod om te twisten in de loge over politiek en godsdienst. Dat geldt als een van de fundamenteelste kenmerken van deze vorm van vrijmetselarij, ook al komt dat als zodanig niet voor in de Constituties van Anderson, die enkel expliciet de twisten over godsdienst veroordeelt, hetgeen historisch uiteraard zeer verklaarbaar is, gelet op de godsdienstoorlogen die pas voorbij waren. Maar in hoeverre kunnen godsdienst en politiek hier (en überhaupt) gescheiden worden ?

Des te bevreemdender is het als we in dit gedicht polemische uithalen tegenkomen, zowel tegen het jodendom als tegen de islam. Eerst het jodendom:

“Toi, Juda, de son crime, aveugle imitateur,
Partage ses fléaux, ses fers & sa douleur.
Des torrens de tes pleurs, ô Nation ingrate !
Va, va grossir les eaux du Tigre & de l’Euphrate.
Vendue au Perse, au Mede, à l’habitant du Nil,
Au Scythe, au Grec, au Maure, au Peuple le plus vil,
Depeints leur les horreurs dont ton idolatrie
Inonda tes Tribus & leur triste Patrie.
Fais long-temps resonner les plus lointains guerêts
Des plus lugubres chants & des plus vifs regrets. » (p. 82)

Het eerste vers verwijst naar andere volkeren, die eveneens ‘verkeerde’ en ‘valse’ goden aanbidden, d.z. andere dan de christelijke god. De joodse diaspora is volgens onze dichter dus een terechte straf. Voor de islam is hij niet vriendelijker:

“Où l’Arabe imposteur, dans l’antique Bysance,
Dans l’Orient entier établit l’ignorance,
Qu’il étend, vil Apôtre ! avec ses fausses loix,
En mille lieux conquis par d’injustes exploits ;
Où le divin flambeau d’un celeste Evangile
Ne donne au Genre Humain qu’une lueeur débile,
Qu’affoibliront l’erreur, la superstition,
Un zele forcené de la Religion. » (pp. 87-88)

We moeten inderdaad niet vergeten dat we met dit gedicht nog midden in het Ancien Regime zitten, en daarenboven in een Frankrijk dat toen nog door en door rooms-katholiek was. Van tolerantie is in deze verzen weinig te bespeuren; het verwondert dan ook niet dat volgens de auteur van dit gedicht Joden en Moslims eigenlijk niet welkom zijn in de loges: ‘Et même parmi nous, nul ne trouvera place,/S’il ne croit fermement ce mystere de grace.’ (p. 62), zo heet het expliciet, nadat eerst een quasi-theologische uitleg gegeven werd over bepaalde aspecten van het christelijke godsbegrip, en in een lange voetnoot wordt dan expliciet uitgelegd waarom jodendom en islam daaraan niet beantwoorden.

Maar tezelfdertijd toont dit stukje aan, dat de hetze tegen en de criminalisering van moslims, zoals die vandaag in het Westen plaatsvinden, niet nieuw zijn, maar op een a.h.w. atavistische manier tot het denkpatroon van het Westen behoren. Op enkele uitzonderingen na is het beeld van de islam in de westerse literaturen altijd negatief gekleurd geweest. (Datzelfde gold overigens ook voor anderen, maar na eerst geprobeerd te hebben die uit te roeien, is het Westen erin geslaagd van sommigen onder hen handlangers te maken, die hun meesters in moordzucht en bloeddorstigheid zelfs nog overtreffen.) Men leze op deze website de tekst over Jan Schouten maar eens erop na: ook bij hem is dat beeld aanwezig. Het zou interessant zijn daar eens een studie aan te wijden, te beginnen misschien met één literatuur.

De hierop volgende verzen gaan tot bijna aan het einde voort op de ingeslagen weg, d.w.z. de toekomst van de orde wordt ‘voorspeld’ zoals ze zich zal ontwikkelen in de belangrijkste landen van Europa, Engeland voorop, dan Duitsland, de Scandinavische landen en Frankrijk. Soms is onze auteur daarbij ongewild (?) cynisch: zo wordt over Engeland gezegd: ‘Dans ces Isles enfin où la libre Albion/S’enrichit des trésors de chaque Nation,’ (p. 90), hetgeen er eigenlijk op neerkomt hen te beschouwen als een eiland van rovers en dieven – terecht overigens voor wat de heersende klassen betreft.

De nadruk in deze verzen ligt op de symbiose tussen vorsten, die vaak met name genoemd worden als leden van de orde, en de burgers: tezamen, en onder leiding van de vrijmetselarij, moeten zij voor een harmonische, ordelijke maatschappij zorgen, waarin de industrie zich vrijelijk en ongedwongen kan ontwikkelen:

“Au contraire il invite, il exhorte, il ordonne,
Par un Zele modeste & rare sur le Thrône,
A toute industrieux & sage citoien,
De chercher du Public la richesse & le bien ;
Pour ce louable objet, dans ses plans & ses vûes,
De se fraier souvent des routes inconnues ;
Par d’utiles avis & d’utiles travaux,
De partager sa gloire & ses soucis roiaux ; « (p. 102-103)

Met andere woorden : de rol van de vrijmetselarij wordt hier omschreven in puur maatschappelijke, en zelfs zuiver politieke termen, waarbij voornamelijk de kapitalistische ontwikkeling bevorderd dient te worden. Ook dat waren we in het gedicht over de vrijmetselarij van Jan Schouten tegen gekomen. En dat is uiteraard geen toeval: in de 18de eeuw was de burgerij nog een opkomende en vooruitstrevende klasse, die ook van de vrijmetselarij gebruik heeft gemaakt om haar ideeën te verspreiden.

Het gedicht eindigt tenslotte, zoals alle goeie dingen, en zoals elke plechtige maçonnieke tempelzitting, met een banket, een zgn. broedermaal:

“Ainsi dans les plaisirs la fameuse Journée,
Par celle qui la suit, est-elle terminée.
L’Aurore reparoit : la Société part.
Chacun va préparer & fixer le depart,
Qui doit la disperser aux quatre coins du Monde,
Et reparer bientôt les ravages de l’onde. » (p. 110)

Zo eindigt dus het gedicht, waarvan de vertelde tijd een gehele dag beslaat, die achtereenvolgens gewijd was aan de installatie van Noé als grootmeester, en van de verschillende andere maçonnieke vertegenwoordigers voor de hele wereld, aan uitleg over de belangrijkste gebruiken, symbolen en gewoonten van de orde, aan het schetsen van de verdere ontwikkeling en de belangrijkste taak van de orde, om afgesloten te worden met het rituele broedermaal.

Welke besluiten kunnen wij nu trekken uit de lectuur van dit gedicht?

Vooreerst lijkt het weinig waarschijnlijk dat de auteur ervan – wie hij ook geweest moge zijn, inlichtingen erover heb ik nergens kunnen vinden – inderdaad een profaan was, zoals hij zelf op de titelpagina beweert. Zijn kennis van de orde en haar gebruiken, van namen van beroemde contemporaine inwijdelingen ook, is te groot om van een profaan te zijn. Nu zou dat wellicht wel kunnen, want er staat ook voor profanen een immense bibliotheek over de vrijmetselarij ter beschikking, zowel in boekvorm als op het internet. Maar ik betwijfel of een profaan in het midden van de 18de eeuw een dergelijke uitgebreide en vaak interne kennis kon hebben van de vrijmetselarij zonder er zelf lid van te zijn.

Hoe dit ook zij, het belangrijkst lijkt mij de nadruk te zijn, die op de maatschappelijk betekenis van de orde gelegd wordt. Is hier misschien al een kiem aanwezig van een ontwikkeling die meer dan een eeuw later zou leiden tot een splitsing in twee elkaar verketterende en uitsluitende vormen van vrijmetselarij ? In hetgeen voorafgaat heb ik al gewezen op de passages die een godsdienstige polemiek inhouden, en op de algemene politiek-maatschappelijke rol die de vrijmetselarij toegedicht wordt. Dat laatste moet dan gebeuren in hoofde van de vorsten, koningen en prinsen, die geacht worden in de vrijmetselarij niet alleen een voorbeeld te vinden, maar quasi regelrechte precepten om ten voordele van de burgers te handelen (pp. 55-56). Het hoeft dan ook niet te verwonderen, dat heel wat soevereinen met naam en toenaam genoemd worden in het gedicht: naast de koningen en prinsen van het Engelse hof uiteraard zijn dat bv. keizer Frans I van Duitsland, Frederik de Grote van Pruisen, Frederik V van Denemarken, de prins van Nassau, ‘Statouder des Provinces-Unies’ enz. Nogmaals: we zijn nog steeds in volle Ancien Régime en al deze heren zijn nog lang geen çi-devants, zo ze het al ooit zouden worden.

De auteur van dit gedicht ging er dus expliciet vanuit dat de vrijmetselarij in de maatschappij een rol moest spelen, die enkel als direct politiek omschreven kan worden. Blijkbaar bestond er in de eerste decennia van de vrijmetselarij geen verbod om zich in de loges met politiek bezig te houden; dat verbod, dat men vandaag de dag in de meeste constituties van de meeste obediënties, van welke aard dan ook, terugvindt, is blijkbaar pas veel later ontstaan. Het zou interessant zijn eens te onderzoeken wanneer juist; waarschijnlijk zou er dan wel een band ontdekt worden met de samenzweringstheorieën rond de vrijmetselarij, en met de toenemende anti-vrijmetselarijhetzes in de 19de eeuw, na de herhaalde veroordelingen door Rome en na het optreden van de Illuminaten en andere paramaçonnieke verenigingen. Hoe dan ook bewijst dit aspect dat alvast in het begin dit verbod om zich met politieke zaken bezig te houden met een duidelijke korrel zout genomen moest worden.

Bij Anderson vinden we als tweede plicht bv. het verbod om zich bezig te houden met samenzweringen tegen de overheid; broeders die daar toch aan mee doen – blijkbaar waren die er – zouden gestraft moeten worden. Over discussies en gesprekken in de loge spreekt Anderson niet (10). Dit verbod is overigens eveneens terug te vinden in moderne constituties: daar is het de bepaling die stelt, dat de orde de wetten eerbiedigt van het land waar ze vrij mag vergaderen. Meer niet.

Een laatste punt, dat ik kort zou willen aanraken is het aspect ‘leerdicht’. In hoeverre hebben we hier met een ‘leerdicht’ te maken? Het is natuurlijk op de eerste plaats de poëtische uitwerking van een mythisch gegeven, zoals de titel zelf al zegt. Maar het spreekt vanzelf dat deze uitwerking de aanleiding kan zijn, en hier ook daadwerkelijk is, om allerlei wetenswaardigheden over de orde aan de lezer bij te brengen. Zeker de installaties van Noé door de Engel, en door Noé van zijn plaatsvervangers overal ter wereld, geeft aanleiding om gebruiken, kledij en symbolen te beschrijven. De lezer steekt er uiteraard het zijne van op, zeker als hij (nog) geen vrijmetselaar is. En waarschijnlijk is dat ook de bedoeling. Zoals de verwijzing naar vorstenhuizen niet alleen de nieuwsgierigheid en ijdelheid van mogelijke kandidaten geprikkeld zal hebben, maar ook angst voor staatsgevaarlijkheid zal hebben weggenomen: de vorsten zullen toch niet tegen zichzelf samenzweren ! Een aandachtige lezer (en gelet op het feit dat slechts de elite lezen kon in die tijd, en dat boeken nog zeldzaam en duur waren, zal iedereen die las dat wel met aandacht gedaan hebben) zal dus zeker heel wat hebben opgestoken, hebben ‘geleerd’ bij de lectuur van dit gedicht. En dat zal ook wel mede de bedoeling geweest zijn van de auteur.

Ook al is het een beetje saai door de te slaafse navolging van bepaalde versificatievoorschriften, toch is het gedicht interessant en zeldzaam genoeg om een heruitgave waard te maken, ook al omdat de mythische omkadering van het geheel toch wel erg zelden voorkomt in deze vorm in de maçonnieke poëzie; mij is in elk geval geen ander voorbeeld bekend. Eén boekwerk, samen met andere oude maçonnieke gedichten, met een algemene inleiding en een inleiding per gedicht, plus daarbij summiere uitleg bij verzen, woorden, gegevens die niet meer onmiddellijk begrijpelijk zijn voor de hedendaagse lezer. Een wetenschappelijke uitgave dus. Zou daar, in Frankrijk bv., geen maçonnieke uitgever voor te vinden zijn ?

  1. René Pieyns: Encyclopedie van de blauwe vrijmetselarij, Fonds Marcel Hofmans, Brussel, 2003, lemma ‘Kunst (Maçonnieke’, p. 337.
  2. Met name: Henry Jones: The Arcana: or mystic gem, uit 1769.
  3. Het betreft een anoniem gedicht, Masonry, a poem, uit 1739, uitgegeven in Edinburgh.
  4. Daniel Ligou: Chansons maçonniques des 18e et 19e siècles. ABI Editions, Paris, 1972. Het betreft hier uiteraard korte gedichten, waarvan de vroegste dateren uit de jaren dertig van de 18de eeuw, en wellicht nog vroeger.
  5. Het onderhavige gedicht wordt wel vermeld in Wolfstieg (Bibliographie der freimaurereischen Literatur, Olms Verlag, Hildesheim, 1964 e.v.), onder het nummer 3596.
  6. Cfr. A.-A. Barbier: Dictionnaire des ouvrages anonymes. 4 volumes. Daffis, Paris, 1872-1879.
  7. Zelf maakte ik gebruik van het exemplaar in de Bibliothèque Nationale de France ; daarnaast bezitten de bibliotheken van het Grootoosten der Nederlanden (Cultureel Maçonniek Centrum Prins Frederik) in Den Haag, en de bibliotheek van de Grand Lodge of England in Londen een exemplaar. Maar ook in niet publiekelijk toegankelijke bibliotheken zullen hier of daar nog wel exemplaren aanwezig zijn.
  8. James Anderson: Constituties 1837. Fotomechanische herdruk, W.N. Schors, Amsterdam, s.d.
  9. ibidem, p. 5.
  10. ibidem, p. 57.
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


4 − een =