Elburg over Sartre

| Geen reacties

Vanaf 1945 kon men er niet meer omheen: ook in de Nederlandse tijdschriften was het existentialisme alom tegenwoordig, en dan vooral in de persoon van zijn belangrijkste vertegenwoordiger, Sartre. Toch begint Ton Anbeek in een overzichtsartikel [1] met te wijzen op de vaagheid van het begrip ‘existentialisme’ en de vragen die de toepassing ervan op de Nederlandse literatuur oproept , waarbij hij expliciet stelt dat vooraleer op die eerste vraag te antwoorden eerst onderzocht moet worden hoe de receptie en de verwerking van de Franse ideeën was. Hij wijst er ook expliciet op dat in de tijdschriften het meest naar Sartre verwezen wordt.

Het spreekt bijna vanzelf dat deze receptie en verwerking bijna uitsluitend gebeurden door middel van essays. Anbeek wijst erop dat er in het geval van de romans van Van het Reve, Hermans, Blaman (en zelf voeg ik eraan toe: Walravens, en meer nog: D’Haese) meer sprake is van overeenkomsten in atmosfeer en levensgevoel dan van iets anders. De Nederlandse schrijvers gingen niet uit van precepten – al dan niet existentialistisch – om hun romans te schrijven. Maar van een algemene invloed van het (na)oorlogsklimaat was uiteraard wel sprake.

Jan Elburg - Bron: Literatuurplein

Naast de vele essays, toen en later, en de inmiddels beroemd geworden romans, is er bij mijn weten één enkele dichter die Sartre verwerkt heeft in een gedicht, dat doodgewoon ‘sartre’ heet. Die dichter is Jan G. Elburg, en het gedicht verscheen in diens tweede ‘experimentele’ bundel, De vlag van de werkelijkheid uit 1956. Dat betekent dat het gedicht geschreven moet zijn tussen grosso modo 1952, publicatie van Elburgs eerste ‘experimentele’ bundel, Laag tibet en 1956.

Sartre en Elburg hebben meer gemeen dan op het eerste zicht zou lijken: beiden zijn afkomstig uit een min of meer kleinburgerlijk gezin en zijn enig kind, beiden hebben zich politiek links geëngageerd, beiden hebben tijdens de oorlog in het verzet gezeten, en die oorlog heeft beider leven getekend. Maar wat met name dat engagement betreft valt ook al onmiddellijk iets anders op: Sartre stelde aan de schrijver in het algemeen de eis dat deze zich maatschappelijk en politiek engageren zou, dat is bekend; maar het is al evenzeer bekend (of zou dat moeten zijn), dat hij daarbij een uitzondering maakte voor de dichter:

“…on comprendra facilement la sottise qu’il y aurait à réclamer un engagement poétique. Sans doute l’émotion, la passion même – et pourquoi pas la colère, l’indignation sociale, la haine politique – sont à l’origine du poème. Mais elles ne s’y expriment pas, comme dans un pamphlet ou dans une confession. A mesure que le prosateur expose des sentiments, il les éclaircit ; pour le poète, au contraire, s’il coule ses passions dans son poème, il cesse de les reconnaître : les mots les prennent, s’en pénètrent et les métamorphosent : il ne les signifient pas, même à ses yeux. L’émotion est devenue chose, elle a maintenant l’opacité des choses… » [2]

Ook in hetgeen hierop nog volgt zijn de onuitgesproken contouren terug te vinden van een autonomistische poëtica op het vlak van de poëzie.

Elburg heeft de roep een geëngageerd dichter geweest te zijn, en die dus alleszins niet beantwoordde aan de criteria die Sartre in Qu’est-ce que la littérature? voor de dichter vaststelde. Maar de vraag kan natuurlijk gesteld worden of dat wel zo is. Mijns inziens alleszins niet: enkel in de reeds genoemde eerste bundel Laag tibet, en in de korte, bibliofiele, met kleuretsen van Constant uitgegeven bundel Het uitzicht van de duif komen we een Elburg tegen die in zijn poëzie duidelijk politiek stelling neemt en een politieke mening vertolkt. Daarbuiten, en zeker daarna gebeurt dat veel minder, en als het nog gebeurt dan op een onrechtstreekse, vaak zelfs verborgen en hermetische manier. [3]

Hier hebben we dus een duidelijke tegenstelling tussen beide. Maar laten we nu eerst de tekst van het gedicht eens bekijken.

“sartre

Zo kon het ook gebeuren
dat ik eenvoudig een houten bril zou timmeren
om opnieuw bos te zien en
hoe ik weer klein onder berken danste
naakt met de naakte meisjes
wier pa een socialistisch onderwijzer was
ik weet het was negentien vijfentwintig
dan schreide ik tranen van hars

zo kon het ook gebeuren
dat ik dezer dagen geheel een man was
als deze burgerlijke denkers beschrijven
ai, ja, hun geliefkoosd gevoel
dat ons doet slapen in poetslappen

het was winter en de ruige duiven
zwegen.
niets van vrede.
zij kenden mij niet toen ik klein was.
om eerlijk te zijn
zij hebben mij zelfs nu niet bekeken.” [4]

Het eerste wat opvalt in een gedicht over de belangrijkste der existentialisten is natuurlijk de totale afwezigheid van existentialistische thema’s. Er is nergens sprake van vrijheid of verantwoordelijkheid, en ook de navrante sfeer van wanhoop en zinloosheid, veroorzaakt door het besef in de wereld geworpen te zijn is er niet. Integendeel zelfs: bij een eerste lectuur doet het gedicht enerzijds koel en zakelijk aan, van grote gevoelens is geen sprake, en anderzijds geeft het zichzelf niet gemakkelijk prijs, het vraagt om meermaals gelezen te worden. Dat komt natuurlijk omdat er nogal wat vaagheden, of meerduidigheden of ambiguïteiten, of hoe men het ook noemen wil, inzitten, zoals blijken zal als we het gedicht nader onder de loep nemen.

Wel valt de structuur in drie delen, drie strofen op, waarbij de eerste twee met hetzelfde vers beginnen: men zou er een these/antithese/synthesestructuur in kunnen zien, hetgeen bij de Elburg van de jaren vijftig wel vaker voorkomt.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


1 × 4 =