Die Jahre der Kommune I

| Geen reacties

Mijn universitaire studies begon ik in 1967 aan de toen nog Franstalige ULB, waar weliswaar sterke ‘faciliteiten’ golden voor Nederlandstaligen. Het al dan niet magische en alleszins overroepen jaar 1968 valt daar dus in, en ik heb ook actief meegedaan aan alles wat toen gebeurde; het resultaat was dat ik mijn eerste jaar heb moeten overdoen. En zelfs in Parijs ben ik heel even geweest, in dat jaar 1968 – zoals de kat van Ome Willem als het ware.  Veel herinner ik me daar niet meer van, de belangrijkste gebeurtenissen waren trouwens al voorbij, enkel het Odéon was nog bezet.

Brussel – een Franstalige stad; de ULB – een Franstalige universiteit: het spreekt vanzelf dat de studenten aldaar helemaal gericht waren op Parijs (net zoals de studenten van Leuven en Gent trouwens) en dat we van de rest van Europa weinig of niets meekregen, tenzij de grote lijnen zoals ze op teevee te zien of in de kranten te lezen waren.  Directe contacten met Berlijn bv. waren er bij mijn weten niet.  Wel herinner ik me dat Ludo (en anderen?) een congres hebben bijgewoond in Duitsland en daarna een tijdje (= ?) in Berlijn verbleven.

En toch waren de gebeurtenissen in Berlijn (frontlijnstad) even boeiend, en, gelet op de latere ontwikkelingen, zelfs boeiender dan in Parijs zelf, waar eigenlijk iedereen zich enkel de betogingen en bezettingen van herinnert, maar niet de meer persoonlijke of groepsexperimenten die er toch ook waren.

Ulrich Enzensberger (het jongere broertje van Hans Magnus) publiceerde enkele jaren geleden al zijn herinneringen aan die tijd (Die Jahre der Kommune I Berlin 1967-1969, Kiepenheuer und Witsch, Köln, 2004), maar ik heb het boek slechts dit jaar gelezen.  Enzensberger was het jongste en waarschijnlijk het minst bekende lid van de Kommune I, waarvan vooral de onvolprezen dadaïst Fritz Teufel, de eeuwige provo Dieter Kunzelmann, de hippie Rainer Langhans en de meisjes Uschi Obermeier en Ina Siepmann bekend zijn gebleven.  Maar blijkbaar was het voor de jongste onder hen weggelegd om hun geschiedenis te schrijven.

En dat doet hij op een schitterende wijze, wat vooral hierin tot uiting komt dat hij zich niet beperkt tot de interne geschiedenis van de eigen groep, maar dat hij die van het begin tot het einde inbedt in de algemene Duitse, Europese en zelfs wereldgeschiedenis (Vietnam!), hetgeen trouwens nauw aansluit bij het bewustzijn dat de protagonisten ook toen al hadden over hun eigen (inmiddels toch wel beperkt blijkende) rol.  Daarbij worden ook teksten uit die tijd, pamfletten vooral, en fotomateriaal weergegeven, dat het geheel nog verlevendigt.  En het belangrijkste natuurlijk: Enzensberger voert een vlotte pen (dat zit daar blijkbaar in de familie), die ervoor zorgt dat je als het ware op de eerste rij zit en alles (opnieuw) beleeft alsof het eerst gisteren was.

Heel de beweging in Berlijn (en later ook een beetje in de rest van Duitsland) was door en door anarchistisch, de K-groepen (zoals Amada in Belgie) komen er in dit boek niet aan te pas (ook al heeft Enzensberger zelf zich iets later daartoe bekeerd, en is hij zelfs in de fabriek gaan werken), en ook in de werkelijkheid speelden ze op het einde van de jaren zestig geen grote rol; dat zou slechts later gebeuren, in de zeventiger jaren, en dat herinner ik me wel, want toen heb ikzelf nog heel wat contacten gehad, zowel in Duitsland als in Oostenrijk. Niets daarvan is overigens overgebleven, de weinige boeken die ik uit die tijd nog bewaard had, heb ik inmiddels aan het Marx-documentatiecentrum gegeven.

Uit Enzensbergers boek (zoals uit de vroegere boeken van of over andere protagonisten) blijkt ook dat de geheime diensten, meer bepaald in de persoon van Peter Urbach, al heel vroeg zeer actief waren in de Berlijnse ‘sien’; het is alleen jammer dat dit aspect niet grondig wordt uitgewerkt, want het leidt volgens mij geen twijfel dat bv. vanaf het begin de RAF, die uit diezelfde ‘sien’ voortkwam, gemanipuleerd is geworden tot en met.  Waarmee ik niets kwaads wil gezegd hebben over de vele militanten van die en aanverwante groepen, aan wier eerlijkheid ik geen ogenblik twijfel.  Integendeel, jammer genoeg, er is vaak eerder sprake van een al te grote naïviteit, die het voor vissers in troebel water maar al te gemakkelijk maakte om hun werk te doen.

Want ook een andere zaak wordt toch wel duidelijk uit dit boek: de isolatie waarin dit alles zich afspeelde: enerzijds was Berlijn sowieso geografisch geïsoleerd, maar de opstandelingen en revolutionairen, van welke obediëntie dan ook, waren enkel een bedreiging voor de heersenden zolang ze niet gesteund werden. En door de studenten werden ze de eerste jaren inderdaad gesteund, voluit zelfs, maar al even zeker moet men constateren dat de steun vanuit de Duitse bevolking vanaf het begin zo goed als nihil is geweest.  Meer zelfs: de fascistische Duitse pers, Springer op kop, is er op bepaalde tijdstippen zelfs in geslaagd de bevolking in regelrechte hetzestijl op te jutten tot het uitvoeren van al even regelrechte pogroms tegen de studenten en hun sympathisanten. Duitsland blijft nu eenmaal Duitsland, of het zich democratisch noemt of niet. En het andere Duitsland moet altijd min of meer in de ondergrond leven.

Eigenlijk is de groep rond de Kommune I nog het best te vergelijken met de Nederlandse groep Provo, die enkele jaren eerder al van zich had laten horen (ook al was daar het o zo Nederlandse vingertje van de moraal toch altijd op de achtergrond aanwezig): de nadruk lag quasi volledig op het ludieke van de acties, en de machthebbers in Berlijn en Duitsland konden er nog minder om lachen dan die in Nederland (of België).  De toeschouwers bij de vele processen tegen Teufel en Langhans daarentegen wel: want hoe die rechters en openbaar ministerie voortdurend te kakken zetten is gewoon ongeëvenaard.  Maar ook de andere acties kunnen er zijn; één voorbeeld slechts: bij de begrafenis van een vooraanstaande Berlijner kwamen de dragers met de kist aan bij de kerk, gevolgd door een opvallende bonte stoet (vreemd eigenlijk, dat niemand dat opviel), en wat gebeurde toen?  Het deksel vloog van de kist en tevoorschijn sprong Kunzelmann, als spook verkleed.

Heerlijk was dat.  Provo is mijn eerste politieke liefde geweest; ook al was ik nooit zelf in Amsterdam toen, ik was wel al vlug geabonneerd op hun tijdschrift (een collectors item ondertussen); en ook later hebben eigenlijk altijd de anarchisten mij veel meer aangesproken dan de groepering waar ik uiteindelijk rond heb gehangen, en die er het tegendeel van was.  Hoe ik telkens weer onder tafel lag van het lachen met Hara-kiri en Charlie hebdo.  Vooral de tekeningen van Reiser (zijn p’tit dégueulasse !) deden ‘t ‘em.  En toen enkele anars een spotnummer op het tijdschrift van TPT uitgaven onder de titel Tout le plaisir aux travailleurs, was ik binnen mijn kring blijkbaar de enige die daar eens hartelijk om kon lachen. Wezenlijk veranderd ben ik sindsdien niet, vrees ik, ook al zie ik zeer goed in dat anarchisme vaak ook neerkomt op te veel te vlug willen: ‘soyons réalistes, exigeons l’impossible’ heette dat op de muren van Parijs in 1968.

Enzensbergers boek weet de ludieke geest van die tijd zeer goed op te roepen, en daarom alleen al is het aan te bevelen, want je zit eigenlijk voortdurend weer mee te gniffelen. Juist omdat het een mooi, boeiend, leerrijk en totaal ondogmatisch boek is, is die ene zware fout erin (pagina’s 368 tot 371) dubbel jammer in mijn ogen.

Uitgaand van een mislukte aanslag op een joods cultureel centrum in Berlijn, houdt Enzensberger een totaal vals en verkeerd pleidooi voor Israël.  Die aanslag uit 1969 was uiteraard niet alleen dom, maar gewoonweg crimineel.  Hij kon enkel ontstaan in het brein van een krankzinnig gezopen en krankzinnig gekifte totaal doorgeslagen beroepsprovocateur.  Of – en dat is veel, veel waarschijnlijker – onrechtstreeks aangestookt zijn door een geheime dienst; en dan komt enkel de BND in aanmerking, die ook verantwoordelijk zou worden voor de moorden in Stammheim (en voor nog heel veel andere misdaden).

Veroordelen van die – overigens gelukkig mislukte – aanslag: ja. Daaruit een pleidooi afleiden voor de jodenstaat: nee. Het uitgangspunt van Enzensberger in dezen is volledig verkeerd: de jodenstaat werd niet op de eerste plaats gesticht uit de ‘verzweifelte Überlebenskampf’ van de joden in Europa, maar als een pure kolonialistische staat, waarbij de verdrijving van de oorspronkelijke inwoners al vanaf het prilste begin mee ingecalculeerd werd. De lectuur van Herzls Der Judenstaat alleen al had Enzensberger daarvan kunnen overtuigen. Die staat werd met terroristische middelen in het leven geroepen en wordt tot op vandaag met dezelfde en zelfs toenemende terroristische middelen in het leven gehouden. De basisideologie van die staat, het zionisme, is een vorm van extreem nationalisme en wel in de ‘volkse’ variant (’volksnationalisme’ wordt meestal tegenover ’staatsnationalisme’ gesteld, Hitler tegenover Mussolini bv.) die veel racistischer is dan de andere vorm.  Daarom moet terecht gesteld worden: de jodenstaat is een nazionistische staat.

En om van ‘unsere untilgbare Schuld’ te spreken is al even dom, zeker voor iemand die in 1944 geboren is en dus helemaal geen schuld draagt.  Schuld aan misdaden is altijd individueel, nooit collectief, wat Goldhagen c.s. de goegemeente ook wijs willen maken. Maar schuldgevoelens kunnen natuurlijk goed opbrengen…van ‘Wiedergutmachungskapital’ tot gewone politieke steun. En daar gaat het natuurlijk om. Dat Enzensberger met zijn achtergrond dat niet inziet, begrijp ik niet.

Maar kom, de meeste lezers zullen over die enkele bladzijden wel heen lezen, en zich tot de kern van het boek beperken, en die is positief. Zodat die lezers waarschijnlijk meer gelijk hebben dan ik, die wel over dat soort politieke onzin struikel.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


8 + 20 =