Piet van Brabant contra Leo Apostel

| 2 reacties

Leo Apostel

In 1998 verscheen – postuum – een boeiend boek van Leo Apostel over spiritualiteit (Leo Apostel: Atheïstische Spiritualiteit, VUBPress, Brussel, 1998), waarin hij niet alleen bijeenbrengt wat ogenschijnlijk gescheiden is en moet blijven (religie en atheïsme, mystiek en atheïsme), maar waarin hij vooral zeer sterk weet te nuanceren. Door zijn grote belezenheid, zijn kennis van alle religieuze, mystieke en filosofische stromingen van gisteren en vandaag, weet hij vele verbanden te leggen, vele overeenkomsten en verschillen te zien en uit te werken, die ook steeds in een context worden geplaatst. In 2006 verscheen – eveneens postuum, ook al was dat in dit geval niet zo bedoeld – een nieuw boek van Piet van Brabant over een gelijkaardig onderwerp, nl. spiritualiteit (Piet van Brabant: De spiritualiteit van de vrijmetselaar, Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam, 2006).

Beiden waren eveneens bekende vrijmetselaren; Apostel heeft een van de filosofische basiswerken over de vrijmetselarij geschreven, waar nog steeds eenieder die zich ernstig met de vrijmetselarij bezig houdt, naar verwijst (Vrijmetselarij, een wijsgerige benadering, Hadewijch, Antwerpen/Baarn, 1992), en Piet van Brabant is in Vlaanderen sinds de oprichting in 1979 van de RGLB (Reguliere Grootloge van België) het gezicht en de stem van die obediëntie tegenover de buitenwereld, door zijn voordrachten, maar vooral door het vijftal boeken, waarin hij de grondbeginselen van de reguliere vrijmetselarij, zoals hij die ziet, uiteenzet en waarvan voornoemd boek dus het laatste is.Het boek van van Brabant bevat geen index en geen bibliografie; in tegenstelling tot dat van Apostel is het trouwens totaal niet wetenschappelijk opgevat, dat waren zijn vorige boeken trouwens evenmin. Zij behoren eerder tot het genre van de apologie. Opvallend is echter dat in het laatste boek Apostel nergens genoemd wordt, en dat er evenmin onrechtstreeks naar hem verwezen wordt – ondanks het onderwerp.

En ondanks minstens één belangrijk gemeenschappelijk uitgangspunt: zoals de beroemde Franse historicus Gérard Minois in zijn Histoire de l’athéisme, les incroyants dans le monde occidental des origines à nos jours (Fayard, Paris, 1998) gaan van Brabant zowel als Apostel uit van een strikte en letterlijke interpretatie van het begrip ‘atheïsme’, dat dus bij beiden alles aanduidt wat géén theïsme is.

Ook hier moet gezegd worden dat enkel van Brabant dat expliciet doet – zoals Minois – en Apostel enkel impliciet, hetgeen hem overigens toelaat ook hier weer veel genuanceerder te zijn dan van Brabant. Dit komt o.a. tot uiting in het feit dat hij regelmatig spreekt over ‘niet-theïstisch’ in plaats van ‘atheïstisch’.

Persoonlijk vind ik de gelijkstelling van deïsme, panentheïsme, pantheïsme enz. met atheïsme onjuist. Het begrip ‘God’ waar het allemaal om draait is immers geen vaststaand begrip met één voor altijd vastliggende inhoud (vergelijk bijvoorbeeld Karin Armstrong en haar Een geschiedenis van God, 4000 jaar jodendom, christendom en islam, Uitgeverij Anthos, Baarn, 1995); er zijn verschillende opvattingen over mogelijk, en volgens mij is dat ook de geest van het eerste artikel van de constitutie van de RGLB, en alleszins haar praktijk (zoals trouwens ook van Brabant zelf toegaf in een van zijn vroegere werken, nl. Lexicon van de loge).

Wanneer van Brabant in zijn eerste hoofdstuk als uitgangspunt stelt: “De reguliere Orde gedoogt geen toegevingen aan het deïsme, geen louter pantheïstisch geloof. De reguliere vrijmetselarij is theïstisch. Zij is het altijd geweest, van haar ambachtelijke oorsprong af tot op heden”, dan sluit hij een groot deel van de leden van zijn eigen obediëntie de facto uit, eist hij eigenlijk dat zij hun obediëntie zouden verlaten – wat ganse loges dan ook al gedaan hebben (mede om andere redenen overigens). Het is een uitgangspunt, dat enkel te vinden is bij de Franse GLNF en bij de Amerikanen. Zelfs andere zogenaamde. reguliere obediënties, ik denk aan Alpina in Zwitserland of het Grootoosten der Nederlanden, kennen een dergelijke rigiditeit niet. Ja, zelfs de Engelse vrijmetselarij, die enkel het geloof in een ‘supreme being’ vraagt, is – tenminste wat haar tekstuele uitgangspunten betreft – niet zo rigide als van Brabant.

Maar tot daar het begrip ‘atheïsme’. Erger wordt het wanneer we ons even over het begrip ‘spiritualiteit’ buigen.

Om te weten wat we daaronder moeten verstaan is het misschien aangewezen om bij de duivel zelf te rade te gaan, in casu bij het onder leiding van Dr. H. Brink O.P. in 1958 (dus vóór het tweede Vaticaans concilie, toen volgens sommigen – waaronder met name van Brabant – de katholieke kerk nog de katholieke kerk was) uitgegeven (bij een min of meer officiële katholieke uitgever: J.J. Romen & Zonen te Roermond en Maastricht –of all catholic places, ik kom zelf uit die buurt vandaan) driedelig Theologisch Woordenboek. Het lemma ‘spiritualiteit’ (kolom 4394-4395) begint op de meest algemene wijze: “…om een aktieve gerichtheid op of streven naar iets hogers aan te duiden, in tegenstelling met een passieve geestesgesteltenis, mentaliteit of geaardheid: s. is vitaliteit van de geest.”

Dit uitgangspunt is terecht zo breed dat er elke geestelijke gerichtheid onder kan vallen, die hoeft niet eens godsdienstig of religieus in strikte zin te zijn. Daarna voegt de schrijver van het lemma beperkingen in: ‘een bewuste geestelijke levenshouding’, heet het dan, ‘leven volgens een christelijk levensideaal’ of ‘streven naar christelijke volmaaktheid’, waarna verschillende vormen van christelijke spiritualiteit (benedictijnse, franciscaanse…) behandeld worden. Het lijkt me duidelijk dat binnen de context van dit lemma, en met name binnen de bovenstaande citaten het begrip ‘christelijk’ vervangen kan worden door ‘joods’, ‘islamitisch’, boeddhistisch’ etc. Zelfs niet-godsdienstige termen zouden ervoor in de plaats gezet kunnen worden.

Apostels uitgangspunt – hoe sterk de man ook afstond van het katholicisme uit de jaren vijftig – kan onmiddellijk aansluiting vinden bij voornoemd lemma: Apostel ziet spiritualiteit als een religieus, transcenderend verschijnsel in heel breed religieuze zin (maar met uitsluiting van al de rest; mijns inziens kan men het begrip zelfs tot de politiek uitbreiden, zeker wanneer men het begrip transcendentie erbij betrekt: mensen transcenderen zich in de praktijk op alle mogelijke manieren, vandaar dat het niet verkeerd is sommige manieren van politiek bedrijven als godsdienstvervangend en zutiefst religieus te beschouwen).

Piet van Brabant

En dan Piet van Brabant: uit de lectuur van zijn boek is maar één conclusie mogelijk: spiritualiteit = bidden. Heel zijn boek is quasi één enkele opsomming van gebeden en gebedjes, van vroeger tot nu, in alle graden en hoedanigheden. Het is zo eng, zo beperkt en beperkend, dat het beangstigend wordt. Vrijmetselaars zijn mensen die voortdurend op hun knieën zitten te bidden tot de opperbouwmeester, de grootcommandeur, de grootgeometer of hoe hij verder ook moge heten: dat is het beeld dat de lezer van dit boek meekrijgt. Ik overdrijf niet: op enkele passages na die handelen over de algemeen-christelijke oorsprong van de vrijmetselarij, over de ‘verloedering’ (het woord alleen al!) van kerk, loge en de hele maatschappij en over de bijbel, gaat heel dit boek enkel over bidden, meer bepaald over het uitspreken van gebeden in maçonnieke ritualen, want zelfs het begrip ‘bidden’ is wel wat breder dan in de beperkte geest van van Brabant. Het boek eindigt met twee hoofdstukken die enerzijds ‘De mooiste maçonnieke gebeden’ bevatten (hoofdstuk 21) en anderzijds passages uit de bijbel (hoofdstuk 22). Die gebeden komen inderdaad voor in de aangegeven ritualen, maar een opsomming ervan heeft geen enkele zin omdat ze op de eerste plaats telkens slechts een heel klein deel van een rituaal uitmaken, en anderzijds omdat ze buiten dat rituaal hun betekenis verliezen en tot lege formules worden.

Sinds één van zijn vorige boeken, De christelijke wortels van de vrijmetselarij (Houtekiet, Antwerpen/Baarn, 2001), dat over de zogenaamde Gerectificeerde Schotse Ritus handelt, was al duidelijk dat van Brabant van oordeel is dat de vrijmetselarij door en door christelijk is, en dat elke afwijking daarvan een ontaarding en/of verloedering is. Het spreekt dus vanzelf dat zijn voorbeelden ook hier weer vooral uit die ritus komen, waarbij het opvalt dat hij sterk betreurt dat met name in de Franse ritus, en zelfs in de AASR, veel gebeden geschrapt zijn: zoals gezegd krijg je al de indruk dat vrijmetselaren niks anders doen in hun tempels dan bidden, maar volgens onze auteur blijkbaar nog niet genoeg. Vandaar dat zijn voorbeelden ook voor een groot gedeelte geput zijn uit ritualen van hogere ordes (d.i. die werken in graden naast of hoger dan die van leerling, gezel en meester), die inderdaad vaak doordrenkt zijn van een christelijke sfeer, véél meer in elk geval dan de lagere, blauwe graden. Zoals de auteur toegeeft is dat zelfs in de Gerectificeerde Schotse Ritus het geval.

Toch kan en moet je de vraag stellen: in hoeverre hebben die graden, ritussen en ordes nog met de vrijmetselarij te maken, en dan denk ik vooral aan hoofdstuk 14 van dit boek, waarin het gaat over de ‘Orde van Weldadige Ridders van de Heilige Stad’, hoofdstuk dat heet: ‘Krijgsman van het Kruis’ (sic! – je houdt het eigenlijk niet voor mogelijk). Dergelijke zaken staan – gewild of ongewild, dat maakt niks uit – hoe dan ook in een politieke context, in een gevaarlijke politieke actualiteit, waarin zelfverklaarde herboren christenen onder het mom van een ‘war on terror’ eigenlijk een klassieke terroristische oorlog begonnen zijn – tegen de Islam. Het is geen toeval dat Bush het over een ‘crusade’ had. Nogmaals: hoe je het ook draait of keert, in die context over ‘krijgsmannen van het kruis’ te schrijven heeft een politieke betekenis – die van mensen als Alexandra Coolen en haar echtgenoot Paul Beliën.

De begrippen ‘verloedering’, ‘ontwijding’, ‘ontkerstening’…die het hele boek door voorkomen, betekenen eigenlijk allemaal dat iets dat vroeger goed en positief was in de loop der tijden naar de vaantjes ging of werd geholpen, én betekent een wens om naar die vroegere toestand terug te keren. Hetgeen van Brabant ook voortdurend doet: het zijn de ‘oorspronkelijk’, de ‘traditionele’ ritualen waarnaar ‘teruggegaan’ moet worden. Positief gewaardeerd wordt wat nooit veranderd is. Zelfs Engeland is niet goed, want door het samensmelten van ‘antients’ en ‘moderns’ heeft men te veel water in de wijn moeten doen, en is het niet meer de theïstische zuiverheid van het begin (hoofdstukken 5 en 6). Maar zelfs binnen dat theïsme is niet alles zuiver op de graad: zo spreekt hij bijvoorbeeld over ‘’Andere heilige boeken (de Koran, de Thora…) waarvan de aanwezigheid gedoogd wordt op het altaar…’ M.a.w.: eigenlijk horen die daar niet thuis, maar een klein beetje verloedering is nu eenmaal niet te vermijden (waarbij hij wel vergeet dat de thora eigenlijk niets anders is dan de vijf eerste boeken van zijn eigen oude testament). Dit citaat komt uit het laatste hoofdstuk, waar het over de bijbel gaat. Volgens van Brabant is de uitdrukking ‘Boek van de Heilige Wet’ dus enkel en alleen de bijbel, en die kan géén symbool zijn: de bijbel bevat het woord van God en ligt daarom op het altaar, omdat de inhoud een richtsnoer is voor vrijmetselaren. Van Brabant noemde zichzelf protestant, en werd protestants begraven, en hij beroept zich in ditzelfde hoofdstuk trouwens op de vrije interpretatie van de bijbel, maar heel zijn hoofdstuk ademt eerder een sfeer van de katholieke kerk uit de tijd van de contrareformatie. Maar belangrijker: hier zien we wat het begrip ‘traditie’ voor van Brabant cum suis eigenlijk betekent: vanaf de ambachtelijke loges heeft de bijbel op het altaar gelegen, dus moet hij daar nu blijven liggen: traditie = alles moet blijven zoals het was en altijd al geweest is.

Dat is eigenlijk de kern van dit boek (en van voorgaande boeken van van Brabant, en van gelijkaardige boeken van anderen): er mag niets veranderen, en wat toch veranderd werd (in ritualen bijvoorbeeld) moet geschrapt worden en hersteld, teruggebracht in de oorspronkelijk toestand – die, zo weet ieder zinnig en redelijk mens, nooit bestaan heeft, tenzij in de geest van bepaalde individuen.

Het is al duidelijk: waar Apostel open staat naar buiten, met iedereen in dialoog wil en kan gaan, en – daar getuigt zijn belezenheid ook van – luistert naar en kennis neemt van alle tradities, daar sluit van Brabant zich op in zijn eigen kleine of grote gelijk, en weigert elke dialoog – zelfs letterlijk.

Ofschoon het boek zelf dat in se niet is, moet de mentaliteit van waaruit dit boek geschreven werd daarom als gevaarlijk worden beschouwd. Van Brabant zal zeggen dat hij niet aan politiek doet, maar dat is natuurlijk onzin: heel dit boek kan en moet ook gelezen worden als een politiek-cultureel pamflet, tegen het modernisme en tegen de Verlichting. En hier blijkt overduidelijk dat dit pamflet geschreven werd tegen Apostel. Deze laatste heeft zich immers meermaals en expliciet zelf in de Verlichtingstraditie (‘traditie’ hier begrepen in zijn juiste betekenis van ‘doorgeven wat in het verleden waardevol was, maar mits de nodige aanpassingen aan tijd en omgeving’) geplaatst, ook in zijn boek over Atheïstische spiritualiteit. Daarenboven heeft Apostel in 1979 zijn uiterste best gedaan om veel mensen binnen de Grootloge te houden en ervoor te zorgen dat zo weinig mogelijk loges en vrijmetselaars de overstap naar de RGLB zouden maken. Hetgeen hem waarschijnlijk door de stichters van die laatste niet echt in dank werd afgenomen.

Hoe dit ook zij, van Brabants visie op en voorliefde voor de Gerectificeerde Schotse Ritus wijzen als eerste op zijn anti-Verlichtingsdenken. ‘Deze werkwijze wijkt dus geheel af van de verlichtingstraditie. Zij moet integendeel beschouwd worden als behorend tot de mystieke traditie’, zo stelt hij, en hij is tevens van mening: ‘…dat de gerectificeerde werkwijze in alle opzichten strijdig is met het rationalisme van de verlichting.’ Het is duidelijk dat hier al minstens één aap uit de mouw komt: Verlichting wordt gereduceerd tot rationalisme (gebeurt ook elders in het boek) en die Verlichting wordt als absoluut tegengesteld aan de mystiek gezien. Apostel heeft in zíjn boek helder aangetoond, dat dit helemaal geen tegengestelden, laat staan absolute en elkaar volledig uitsluitende tegendelen hoeven te zijn. Het feit dat mystiek en mystieke ervaringen rationeel (d.i. door middel van de rede, door onderzoek, hypotheses enz.) bestudeerd kunnen worden (zie bijvoorbeeld de wetenschappelijke werken van Frits Staal), doet niets, maar dan ook helemaal niets af aan de emotionele, religieuze betekenis ervan voor de mysticus. Dat heeft niet eens iets met God of godsgeloof te maken, want mystieke ervaringen zijn zelfs binnen een nihilistisch kader mogelijk (ik denk aan de Rönne-teksten van Gottfried Benn). En puur rationalisme kan m.i. enkel als een uitwas van de Verlichting beschouwd worden.

Immers, alles wat het leven eigenlijk de moeite waard maakt (gevoelens, kunsten in ‘t algemeen, poëzie, godsdiensten en religie, muziek…) is irrationeel, in die zin dat de oorsprong ervan gezocht moet worden in wat Freud het ‘es’ noemt, het onbewuste drift- en gevoelsleven dus. Dat alles kan naderhand uiteraard op een rationele (hetgeen niet hetzelfde is als rationalistische, dit laatste is totaal reductionistisch) manier verklaard worden, maar die verklaring kan nooit in de plaats treden van de initiële ervaring zelf.

Daarenboven stelt zich de vraag of de gerectificeerde ritus inderdaad in een mystieke traditie past. In tegenstelling weer tot Apostel, die zowel van de westerse als van de oosterse tradities ter zake grondig op de hoogte blijkt, zegt van Brabant nergens wat hij onder mystiek verstaat. Met name in hoofdstuk 18 (‘Ik kan het woord slechts spellen’) lijkt hij het te laten samenvallen met meditatie, hoewel dat toch slechts een techniek is (de verwijzingen in dat hoofdstuk naar Erik van Ruysbeek zijn overigens niet gespeend van enige oneerlijkheid, want van Ruysbeek heeft expliciet geweigerd de overstap van de GL naar de RGLB te maken: hij is bij zijn loge Erasmus gebleven – hij kan dus niet gerecupereerd worden, zoals hier schijnt te gebeuren); ook laat hij af en toe een naam vallen (Böhme met name), maar zonder daar echt diep op in te gaan. En voor iemand die zo sterk de nadruk legt op theïsme is dat wel vreemd, want het is juist in de mystiek, dat er daarvan geen sprake meer is (evenmin trouwens als van deïsme of van welk ander -isme in verband met God dan ook), vandaar dat in alle monotheïstische godsdiensten mystiek als verdacht werd en wordt beschouwd. In een vereniging die zichzelf expliciet als theïstisch en monotheïstisch beschouwt, kan een mysticus zich niet thuis voelen: het is er te eng, te bekrompen, te geestdodend, het ruikt er te muf, als in kamers waar lang niet gelucht werd.

Ook hier komt het extreem rigide standpunt van van Brabant (tertium non datur) weer naar voren; waarom zouden religieuze én emancipatorische aspecten niet kunnen samengaan binnen de vrijmetselarij? In tegenstelling tot wat van Brabant cum suis vertellen is dat trouwens vanaf de 18de eeuw het geval geweest, zelfs in de VS. Het emancipatorische, burgerlijk vooruitstrevende aspect wegvegen komt eigenlijk neer op geschiedvervalsing – net zoals het tegenovergestelde trouwens. In feite zouden dus enkel die werkplaatsen als ‘regulier’ kunnen gelden die, onder welke vorm en obediëntie ook, dié traditie voortzetten.

Op het einde van zijn boek, in hoofdstuk 20 (‘Onoverbrugbare kloof’) komt hij nog eens op de Verlichting terug, deze keer in direct politieke verwijzingen en bewoordingen, en daar komt een andere, gevaarlijkere aap uit de mouw. Daar wordt nl. gesteld, dat ‘de verlichting een dogmatisch socialisme – het communisme – (heeft) voortgebracht’, en verder:

“Tot het einde van de negentiende eeuw werden verscheidene generaties vrijmetselaars gefascineerd door de verlichting. Zij dachten dat de afbraak van de kerk en in het bijzonder van haar hiërarchie, haar taal en haar opvattingen, zou bijdragen tot de bevrijding van de mens uit de kluisters van de godsdienst. Voorts geloofden zij al te vaak dat de kennis en de wetenschap de mens de nodige middelen zouden verschaffen. Van dit oeverloos vertrouwen in de wetenschappen zijn intussen de wetenschappers zelf afgestapt. Meteen is het vertrouwen in de gedachten van de verlichting eveneens verzwakt. De communisten zijn uit de loges verdwenen. Het historisch materialisme heeft afgedaan.” (p. 148)

Indien we het wishful thinking over verdwenen communisten laten voor wat het is, dan valt aan dit lange citaat vooreerst op, dat verlichting, materialisme, wetenschap, m.a.w. de hele ‘ijdele rationalistische droom’, zoals hij het even verder noemt, als zovele kinderen vrolijk samen met het badwater worden weggegooid.

Maar opvallender is wat in dit citaat en in dit hoofdstuk niet staat.

Mensen zoals van Brabant (noem ze liberaal, conservatief, reactionair, wereldvreemd of wat dan ook) hebben de gewoonte communisme altijd in één adem met nazisme te noemen en beide even radicaal te verwerpen. Is het een toeval dat dit hier niet gebeurt? Communisme, zelfs in zijn stalinistische vorm, is inderdaad nog altijd een kind van de Verlichting, in wezen is het totaal emancipatorisch bedoeld, welke duistere afwijkingen er in de geschiedenis ervan ook mogen zijn opgetreden. En ondanks alle oppervlakkige overeenkomsten ligt net daarin het grote, diepe verschil met alle vormen van fascisme, op de eerste plaats de ergste variant daarvan, het nazisme. Alles wat emancipatorisch was, van vrouwenrechten, arbeidersrechten, pers- en andere vrijheden, het werd allemaal geassocieerd met liberalisme en marxisme en in globo verworpen. Om terug te keren naar een gedroomd ancien régime, een maatschappij en een wereld waarin geen enkele tegenstelling meer aanwezig is, naar ‘het herontdekken van onze eigen jeugdige zuiverheid’, zoals ook van Brabant het in het begin van zijn boek stelt (men denke aan het verheerlijken van de jeugd in het fascisme). Deze queeste naar een ‘pureté dangereuse’, zoals Bernard-Henri Lévy het noemt, lijkt me de psychologische kern te zijn van dit boek, het is een vorm van regressief denken, die ik eigenlijk bijna enkel uit de geschriften van Freud ken (nog zo’n aanhanger van de Verlichting natuurlijk), als ‘psychiatrische gevallen’. Volgens Freud is regressie een vorm van terugverlangen naar de geborgenheid van de moederschoot, en dus een uiting van doodsdrift; wanneer dat in politieke acties vertaald wordt, kom je inderdaad tot de een of andere vorm van fascisme, met alle gevolgen van dien. Het houdt in dat elke vorm van vooruitgang verworpen wordt, dat een poging wordt ondernomen om als het ware de tijd zelf stil te zetten. Ofschoon er in de maçonnieke geschiedenis inderdaad zulke tendensen hebben bestaan, zijn ze zelfs in de zogenaamde reguliere vrijmetselarij altijd een extreme minderheid geweest, waarachter zich dan meestal ook nog andere, zeer aardse, zeer politieke, en zeer materiële machtsbelangen verscholen.

Duisterlingen zijn dan altijd, en zeker in de politieke context van vandaag, geneigd hier een ideologisch kader aan te geven, waarin ze vaak ook nog zelf geloven. Zo spreekt het bijna vanzelf dat van Brabant ook positief spreekt over magie, en over sekten; zijn eigen obediëntie, de RGLB, kan moeilijk als een sekte omschreven worden, maar ze vertoont er toch kenmerken van, met name het verbod, expliciet aanwezig in haar constitutie, om contacten van welke aard dan ook te onderhouden met andere vrijmetselaars (terwijl daarvan in andere officiële teksten van de RGLB , nota bene met zoveel woorden gezegd wordt dat het helemaal geen vrijmetselaars zijn).

Van Brabant gaat nog verder, denk ik: hij zegt elke mogelijkheid tot dialoog tussen gelovigen en ‘godloochenaars’ (zo staat het er, je vraagt je af waarom hij niet eenvoudigweg het woord ‘ketters’ gebruikt) op (alsof een dergelijke dialoog op verschillende vlakken al niet lang bestaat en voortduurt), in maçonnieke context dus tussen zogenaamde ‘regulieren’ en ‘irregulieren’. Nochtans staat nergens geschreven (tenzij wellicht in dictaten vanuit Washington en Londen) dat verschillende vormen van vrijmetselarij niet bevruchtend zouden kunnen werken, elkaar verrijken en/of aanvullen. Zelfs gewoon kennisnemen van elkaars ritualen, gebruiken etc. kan al tot wederzijds begrip leiden.

Maar als je in het bezit bent van de enige, absolute, onwankelbare, universele waarheid, als je een rechtstreekse telefoonlijn hebt met de grote baas daarboven, dan is dialoog inderdaad uit den boze, of onnodig. Wie wat vindt heeft slecht gezocht, schreef Rutger Kopland, en Piet van Brabant heeft wel heel erg slecht gezocht, want hij heeft de Waarheid zelve gevonden. En zich daarin opgesloten.

Een dergelijk gesloten wereldbeeld is inderdaad gevaarlijk. Daarom verkies ik duidelijk dat van Apostel, ook al ben ik het met hem ook niet steeds eens. Maar hij heeft tenminste de spontane nieuwsgierigheid van het kind bewaard, en omgevormd tot de gretige nieuwsgierigheid van de geleerde die fundamenteel openstaat om kennis te nemen, te ontdekken, te leren kennen. Van Brabant is daarentegen een fundamentalist, zowel op religieus als op maçonniek vlak.

Laten we nog een keer bij de duivel zelf te rade gaan, deze keer in de persoon van (toen nog) Joseph Kardinal Ratzinger (in: Salz der Erde, Christentum und katholische Kirche im neuen Jahrtausend, ein Gespräch mit PETER SEEWALD, Wilhelm Heyne Verlag, München, 2004), die o.m. het volgende zegt:

“Das gemeinsame Element in den sehr unterschiedlichen Strömungen, die man bei uns als Fundamentalismus bezeichnet, ist die Suche nach Sicherheit und Einfachheit des Glaubens. (…) Gefährlich wird die Suche nach Sicherheit und Einfachheit dann, wenn sie zu Fanatismus und Engstirnigkeit führt. Wenn man die Vernunft überhaupt verdächtigt, dann wird auch der Glaube verfälscht und zu einer Art von Parteiideologie, die nichts mehr mit vertrauensvollen Hinwendung zum lebendigen Gott als dem Urgrund unseres Lebens und unserer Vernunft zu tun hat. Dann entstehen pathologische Formen der Religiosität,…“ (p. 146, ik cursiveer)

Ik zou ook kunnen verwijzen naar de encycliek Fides et Ratio van de vorige paus, maar ik denk dat het wel volstaat; bij het citaat van Ratzinger kan ik me eigenlijk binnen deze context helemaal aansluiten, zonder zelf tot diens club te behoren.

Zoals gezegd, naar buitenuit is Piet van Brabant het gezicht van de Reguliere Grootloge van België. Wat hij zegt wordt door de doorsneelezer gezien als het officiële standpunt van die RGLB. Noch van Brabant zelf noch de obediëntie zelf hebben dat ooit tegengesproken. Nochtans is de praktijk niet zo dogmatisch en onverdraagzaam als uit de lectuur van dit boek zou kunnen schijnen. Zou het kunnen dat de officiële teksten van de RGLB en de boeken van Brabant enkel bedoeld zijn voor een bepaalde buitenwacht, en dat ze daarom vaak zo dubbelzinnig zijn opgesteld? Buitenwacht zijnde de Amerikaanse en de Engelse vrijmetselarij? Is heel de obediëntie gestoeld op een sterke tegenstelling tussen theorie en praktijk, en dus op schijnheiligheid, zoals die vooral van de katholieke kerk bekend is (priesters mogen doen en laten wat ze willen, zolang het maar niet geweten is, zolang de schijn van deugdzaamheid maar wordt opgehouden)?

En Piet van Brabant zelf? Het moet een bange, bange, bange man geweest zijn. Die vooral ons al dan niet broederlijk medelijden verdient.

ooOOoo

Wie geïnteresseerd is in spiritualiteit of mystiek kan ik, naast het boek van Apostel, de volgende meer algemene readers aanraden:

  • Kees Waaijman (ed.): Spiritualiteit, vormen, grondslagen, methoden. Carmelitana Gent/Kok Kampen, 2000.
  • Dr. Joris Baers et al. (eds.) : Encyclopedie van de mystiek, fundamenten, tradities, perspectieven. Kok Kampen/Lannoo Tielt, 2003.
Delen:

2 reacties

  1. In 1975 (ik was toen 30 jaar) heb ik enkele malen een onderhoud gehad met Leo Apostel. Ik was geen student, maar een leek met interesse voor filosofie, en meer bepaald voor het “universaliaprobleem.”

    Hij worstelde ook met dit probleem en kon niet echt een bevredigend antwoord geven op mijn vragen en tegenwerpingen. In 1983 (zie, “Troeven en proeven van het marxisme”) stelde hij een ontologie voor die nominalisme en platonisme synthetiseert.

    Maar wat ik hier eigenlijk wil vermelden is dat na enkele gesprekken Leo Apostel mij plots voorstelde om een psychoanalyse te ondergaan bij professor Jacques Schotte, waar hij zelf in behandeling was geweest. Mij was ter ore gekomen dat dit geschiedde na het overlijden van zijn moeder (hij zou zich zelfs eens op haar graf hebben neergelegd.

    Ik denk daar aan omdat u schrijft : “volgens Freud is regressie een vorm van terugverlangen naar de geborgenheid van de moederschoot..”

    Ik ben op dit voorstel ingegaan. Schotte gebruikte de Szondi-test; tevens achtte hij medicatie( tofranil) in het begin noodzakelijk. Ik stemde daar aanvankelijk mee in, maar wegens de bijwerken (hevig zweten) ben ik na een zestal weken gestopt.

    Na het stoppen was ik van plan de psychoanalyse te laten voor wat het was. Maar een toeval besliste daar anders over toen een collega mij het wedervaren van zijn echtgenote vertelde nadat ze een psychiater, verbonden aan een vrije polikliniek (Coupure, Gent), had geraadpleegd wegens slapeloosheid. Ze vroeg een voorschrift voor Lexotan, maar die psychiater wou dit niet verstrekken. Ik besloot mij nader in te lichten. De polikliniek beschikte over een afdeling psychosomatiek en dr. Philippe Leten was de psychiater. Ik heb hem geconsulteerd en dit was tevens de aanvang van een psychoanalytische behandeling zonder medicatie. Na iets meer dan een jaar ben ik gestopt omdat het probleem van de universalia mij niet langer interesseerde (maar ik denk niet dat de analyse daar de oorzaak van was!).

    Achteraf bezien wat het geen goede raadgeving van Leo Apostel geweest om mij naar Jacques Schotte te sturen. Dit heeft in zeker zin een ongezonde nieuwsgierigheid gewekt om mijn ‘persoon’ per se te willen doorgronden. Bovendien was ik enkele jaren later op de gedachte gekomen om nu en dan eens bij een psychiater aan te lopen en wat te klagen over depressie en onbehagen, enkel en alleen met het doel om ziekteverlof te krijgen. En dit heeft mij geen goede faam bezorgd.

  2. Hartelijk bedankt voor uw reactie.
    Schotte heb ik nooit persoonlijk gekend, maar ik weet wel dat hij in België de man van Szondi was – als ik zo stellen mag. Die test heb ik in de eerste helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw zelf ook nog afgelegd (samen met andere testen uiteraard), en daarna ben ik vaak – zo wat om de vier à vijf jaren – naar de psychiater terug geweest; een psychoanalyse wou hij niet doen omdat we dan krachten zouden kunnen losmaken die we daarna niet meer in bedwang zouden kunnen houden; zo stelde hij het.
    Ik weet best wat hij bedoelde – nu.
    Geneesmiddelen dus: telkens dipiperon en daarbij een anxioliticum of antidepressivum. Bij mij heeft dat toch wel geholpen.
    Maar die nieuwsgierigheid om de eigen persoonlijkheid te doorgronden heb ik tot vandaag behouden. En ik vind dat helemaal niet ongezond, integendeel zelfs.
    En die goede faam… Ligt u daar echt wakker van?

    Overigens: als het u zou interesseren, er bestaat een interessant en goed geschreven boek over Jacques Schotte: Leo Ruelens: Naar een andere psychiatrie. Het rebelse denken van Jacques Schotte. Literarte, Leuven, 2010. Het werd ook geschreven in reactie op de dictatuur binnen de psychiatrie van de door en door onnozele (om niet meer te zeggen) DSM-invloed. Dan inderdaad liever Szondi, Rorschach en gelijken.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vier × twee =