Viermaal de Verlichting

| Geen reacties

In 1984 verscheen als deel van een door het tijdschrift Literatuur uitgegeven reeks inleidingen tot verschillende periodes van de Nederlandse letteren ook een boekje Verlichting in de letteren van J. Stouten (Martinus Nijhoff, Leiden).Uiteraard betreft het hier slechts een inleiding, maar toch. Eigen onderzoek heeft de auteur blijkbaar niet nodig gevonden. Maar zelfs daarzonder kan het boekje amper dienen als inleiding tot deze periode. De kenmerken van de Verlichting worden niet expliciet op een rijtje gezet; er worden geen werken van welke aard dan ook behandeld, of zelfs maar genoemd, waarin deze kenmerken grotendeels terugkomen. Van het voor de Verlichting zo typische genre (Cf. Christoph Siegrist: Das Lehrgedicht der Aufklärung, J.B. Metzlersche Verlagsbuchhandlung, Stuttgart, 1974) als het leerdicht wordt één enkel genoemd, Het Graf van Rhijnvis Feith, dat niet eens typisch is voor de Verlichting, in elk geval veel minder dan andere leerdichten uit die tijd, en dan denk ik vooreerst aan De Vrijmetselarij, in drie zangen van Jan Schouten, uit 1817, en waarover ik op deze website al een uitgebreide studie publiceerde.

Het is dus hoe dan ook een boekje dat je niet echt zou aanbevelen – tenzij dan omdat er werkelijk geen andere inleiding voor aankomende studenten is. De handboeken in de Nederlandse letterkunde, van Jonckbloet tot Schenkeveld-van der Dussen, zijn overigens niet echt veel beter. We kunnen dus alleen maar hopen, dat de aan de 18de en 19de eeuw gewijde delen van de op stapel staande nieuwe geschiedenis van de Nederlandse literatuur het wat dat betreft beter zal doen. Bedenkelijk lijkt me alleen dat de enige die tijdens de afgelopen decennia zich grondig met de Verlichting heeft bezig gehouden en er veel over gepubliceerd heeft, ik bedoel André Hanou van de universiteit van Utrecht, blijkbaar niet meedoet aan dat project.

In deze bijdrage wil ik het hebben over vier gedichten uit de eerste decennia van de 19de eeuw, die alle vier als titel dragen De Verlichting, en waarvan er drie odes zijn op die richting, en éen een leerdicht in twee zangen. In geen enkel boek, in geen enkel artikel worden die gedichten ook maar genoemd. En toch hebben we te maken met interessante gedichten, al was het maar omdat zij de Verlichting inderdaad expliciet tot onderwerp maken, wat bewijst dat de term en haar inhoud actueel was, en dat de intelligentsia van die tijd, en vooral de dichters, er zich zeer bewust van was, en zelfs wilden stimuleren waar de Verlichting allemaal voor stond.

Ook de schrijvers van deze gedichten zijn nobele onbekenden, die enkel bij echte specialisten van de Verlichting en/of de 19de eeuw nog een belletje doen rinkelen. In de dbnl komen ze niet voor; ook Komrij nam niets van hen op; enkel in van Vriesland stond één gedicht van Simons, de anderen komen ook in die bloemlezing niet voor. In hun eigen tijd behoorden ze nochtans tot de literaire elite. Hetgeen enkel maar bewijst hoe weinig roem of bekendheid te betekenen hebben, hoe vlug dat vervluchtigt.

a) Adam SIMONS

Adam Simons was niet echt een productief dichter, hetgeen waarschijnlijk te wijten was aan het feit dat hij vooreerst predikant, maar vanaf 1816 tot aan zijn dood in 1834 ook hoogleraar was in Utrecht waar hij Nederlandse taal en letteren doceerde. Zo omvatte zijn in het jaar van zijn dood uitgegeven Verzamelde poezy slechts 150 bladzijden (waarbij wel rekening gehouden moet worden met het feit, dat bv. zijn leerdichten De waarde van den mensch, in drie zangen en Alexander, keizer aller Russen, in drie zangen daarin niet zijn opgenomen).

‘De Verlichting aan J.H. van der Palm’ verscheen in zijn bundel Gedichten uit 1805 (J. ten Brink, Gerritsz. te Amsterdam) en is daarmee het vroegste van de hier behandelde gedichten, die expliciet de Verlichting tot onderwerp hebben. Of het ook het allereerste is, kan ik niet zeggen, omdat ik niet alle dichters uit die periode gelezen heb, en zeker niet alle tijdschriften doorgenomen.

Het gedicht is een mengeling van ode en gelegenheidsgedicht. Op dat laatste wijst vooreerst de ondertitel, ‘bij een school-onderzoek’, maar ook de inhoud van het gedicht, die duidelijk bij de door de ondertitel aangegeven gelegenheid aansluit. Het omvat elf strofen van 10 verzen, volgens het rijmschema ababccdeed, met vier heffingen per vers. Dit soort ‘dizain’ kan beschouwd worden als een typische vorm voor de ode in die tijd, ook al zijn daarop heel wat varianten mogelijk en ook effectief aanwezig in de contemporaine dichtkunst.

De eerste drie strofen roepen het beeld op van een oorlog (we zijn in de Napoleontische tijd, en ook in de Nederlanden van 1805 waren de Napoleontische oorlogen hoe dan ook actueel) en de gevolgen daarvan: terugkeer naar de duistere Middeleeuwen en haar armoede op materieel en geestelijk vlak. Daartegenover wordt in de derde strofe al de aarde als eerste leerschool genoemd (de aarde, en meer bepaald de natuur werd als een imprint van God beschouwd) en in de vierde wordt volop en expliciet de lof van de school gezongen:

“Heil dan der school, waar kind’ren leeren,
Heil hem, die hun verstand beschaaft!”

In de vijfde strofe wordt dan weer de oorlog bezworen, omdat hij Gods werk teniet doet:

“Een satan breekt haar werk in stukken,
En ’t licht wordt bange duisternis!”

zo heet het een beetje manicheïstisch.

Kernstrofen lijken me dan de zesde en de zevende. Ofschoon de zesde eerder dubbelzinnig is: enerzijds wordt toegegeven dat er ook in het verleden best wel scholing was, maar anderzijds enkel bij de hogere klassen, en in het ergste geval enkel bij de ‘dwingelanden’ zelf en hun nauwste kring. Omdat ook dat een vorm van obscurantisme is, moeten school en scholing voor iedereen toegankelijk zijn: dat is de kern van de zevende, de belangrijkste strofe van het gedicht:

“Maar ’t menschdom, vaak verdrukt, bedrogen,
Door dwing’landij en priesterlogen,
Heeft zelf zijn wijzen snood veracht !
En elk eene eeuw noemt acht’bre mannen,
Die wreed door dwing’landij verbannen,
Door bijgeloof zijn omgebracht !”

Dit is een oproep tot ontvoogding van maatschappelijke en religieuze banden, die zeer Kantiaans aandoet, vooral door de nadruk op (hier negatieve) zelfwerkzaamheid en bijgeloof, waarmee (we zijn in het calvinistische Nederland, waar de katholieken nog steeds niet ‘geëmancipeerd’ zijn, d.w.z. dezelfde rechten hebben) op de eerste plaats de katholieke kerk bedoeld wordt, zoals ook uit ‘priesterlogen’ blijkt. Bij de volgende dichter zal dit Kantiaanse aspect nog belangrijker worden. Maar ook aan een andere beroemde schrijver uit de Verlichting kan men denken: Lessing met name, en vooral diens Die Erziehung des Menschengeschlechts. Maar het is uiteraard zo, dat bij alle schrijvers en filosofen uit de Verlichting opvoeding en alles wat ermee samenhangt een hoofdrol spelen.

Hierna volgen nog drie strofen, waarin enkele voorbeelden gegeven worden van die ‘verbannen’ en ‘omgebrachte’ ‘wijzen’: Socrates enerzijds en – gespreid over twee volle strofen – Jezus van Nazareth. Toch een iets vreemde combinatie, me dunkt.

Het gedicht eindigt met een strofe, waarin naar de toekomst gevraagd wordt, en de hoop wordt uitgesproken dat de jeugd het beter zal doen:

“Mijn vaderland, geschokt, verlegen,
Erkent, Verlichting !, uwen zegen,
Denkt in zijn nood nog aan de Jeugd;
Verwacht van haar eens beet’re dagen,
Als zulke telgen vruchten dragen,
Wier bloei ’s lands vaderen verheugt.”

Gelet op de moeilijke tijden van nu, zal de jeugd (mèt hoofdletter bij Simons) dus de drager van de Verlichting moeten zijn, en ook dat zal enkel waargemaakt kunnen worden als een goede scholing en opleiding voor die jeugd voorhanden is. Men weet dat ook voor Kant de opvoeding een van de belangrijkste punten van zijn opvatting over de Verlichting was, en meer zelfs: onmondigheid verdrijven was een kernpunt van zijn filosofie, en goede scholing was daarvoor onontbeerlijk.

Dit eerste, en tevens kortste Nederlandse gedicht over de Verlichting kan niet als een meesterwerk beschouwd worden: de overgangen tussen de strofen zijn soms te abrupt, Simons springt a.h.w. een beetje van de hak op de tak, maar vooral blijft hij in de uitwerking van zijn ideeën volkomen oppervlakkig. Nooit gaat hij ergens dieper op in, maar ook de bevlogenheid die je van een ode zou verwachten, en die we wel bij de twee laatste dichters zullen tegenkomen, is bij hem afwezig.

Inhoudelijk ligt de nadruk in dit gedicht volledig op het aspect opvoeding en scholing, veel sterker en eenzijdiger in elk geval dan bij de drie andere gedichten. Het element ‘gelegenheidspoëzie’ overheerst dus duidelijk. Wat dat betreft zal het volgende totaal het tegendeel zijn.

b) Hendrik Harmen KLYN

H.H. Klyn was een suikerfabrikant uit Amsterdam, en een vrijmetselaar (zoals Simons trouwens), die net als zijn jonggestorven broer Barend gedichten schreef. Hendrik Harmen schreef naast gelegenheidswerken ook heel wat zogenaamde ‘leerdichten’, waarvan De Verlichting, in twee zangen (J. Allart, Amsterdam, 1810) een vroeg voorbeeld is.

Ofschoon éen van de belangrijkste kenmerken van het leerdicht, m.n. het gebruik van verhalende ‘episodes’ ontbreekt, behoort dit gedicht, door zijn didactische strekking die er bijna uitsluitend op gericht is de lezer enerzijds kennis bij te brengen over wat de Verlichting is, en hem anderzijds van de voordelen ervan te overtuigen en dus enigszins een aanhanger ervan te maken, toch onmiskenbaar tot het langere didactische genre, d.i. tot het ‘leerdicht’. Men zou zelfs kunnen zeggen dat het dit nog meer doet juist door het ontbreken van verhalende episodes, die in een leerdicht enkel dienen om het onderwerp te illustreren en de lessen aangenamer te maken voor de lezer. Wat dan overblijft, is immers zuivere didactiek.

Wat wel veelvuldig voorkomt zijn de voor die tijd typische herhalingen en de imperatieven, terwijl in het gedicht ook een zevental homerische vergelijkingen voorkomen, typisch niet alleen voor de epiek maar ook voor dit soort langere leerdichten. Het gedicht is geschreven in alexandrijnen, die echter soepel worden toegepast; ook dat is typisch voor de tijd en het genre.

De eerste zang begint met het achtereenvolgens oproepen van verbeelding, dichtkunst, wijsheid en natuur (door Klyn uiteraard met hoofdletters geschreven), die dan in verband worden gebracht enerzijds met een toenemende Verlichting (de tegenstellingen licht/donker en dag/nacht worden regelmatig gebruikt in het gedicht), en anderzijds met de evolutie van de natuur, die als hoogtepunt de mens heeft voortgebracht. In verband met de natuur vooral wordt gesproken over “ ’t doel, dat in u woont” (p. 5), wat een planmatigheid veronderstelt, die in die tijd nog steeds die van God en zijn schepping is. Ook later wordt dat aspect nog expliciet verwoord: “Onmerkbaar voerde uw hand (d.i. die van de Verlichting = PB), langs ’t spoor der wetenschappen,/Naar uw verheven plan, den mensch met vaste stappen,” (p. 19). Maar belangrijker wellicht is de wijze waarop dat gebeurt: zo-even heb ik al gesteld dat de dichter speelt met (nu) voor de hand liggende tegenstellingen in zijn beeldspraak; maar die drukken slechts – iconisch – de idee uit dat de weg van de Verlichting geen rechte weg is, maar een kronkelende weg, een spiraal als men wil, met nu eens een terugval in duisternis, dan weer een sterker wordend licht, enzovoort, waarbij de uiteindelijke vooruitgang, de perfectibiliteit van de mens, en dus de gestage groei van de Verlichting, toch steeds zeker en onafwendbaar blijken en blijven. In een sleutelpassage waarin de lof van de Verlichting gezongen wordt, heet dat zo:

“Ge ontsluit hem ’t glinsterend pad naar waarheid, schoonheid, deugd.
Verlichting! Ja, uw gloed ontvlamt dat grootsch vermogen;
Gij leidt hem door uw hand, der zinnen dwang onttogen,
Trots allen tegenstand, langs dat, zich wislend spoor;
Door u dringt hij gerust naar ’t geen hem aantrekt door;
Uw licht verdringt alom dien drang van zwarte dampen,
Waarmeê hij langs dat spoor, zoo vaak vergeefs, moet kampen;
Gij geeft hem nieuwe kracht, geleidt zijn wankle schreên;
Gij zwaait uw toorts, en all’ die neevlen vlugten heen.
Nu volgt hij vrij; maar dringt, en grijpt, met woeste handen,
Naar ’t beeld, welks schaduw reeds zijn wenschen deed ontbranden:
De waarheid is zijn deel, hier stuit geen macht zijn vaart:
Hij streeft met woeste drift, wat ook dat streven baart.
Doch plotslings rijst op nieuw een nachtspook voor zijne oogen;
De schrik bestormt zijn geest, en, door den waan bedrogen,
Heeft ras de vrees zijn moed en krachten overmand;
Hij deinst verschrikt te rug, en knielt voor ’t onverstand.” (p. 11)

Deze alternering, deze afwisseling en strijd tussen verschillende zaken die elkaar bestrijden, maar toch ook een symbiose (kunnen) vormen, zoals gevoel en verstand, het rationele en het irrationele, het apollinische en het dionysische (orde en chaos) komt doorheen het hele gedicht terug en schraagt het als het ware, het vormt een impliciet structuurelement ervan.

Een van de belangrijkste elementen die de Verlichting in haar gestage vooruitgang helpen kan is voor Klyn de kunst, die duidelijk apollinisch opgevat wordt: zo heeft hij het over “die woeste en nare streken,/Waar nooit het licht der kunst door neevlen heen kon breken;/Hier buigt natuur zich nooit voor ’s menschen oppermagt”, om even later, nadat bij die woeste en nog barbaarse volkeren de kunst haar intrede heeft gedaan, te stellen: “Maar nu, het licht der kunst daalt op die volken neêr,/En ras knelt nu den mensch dat schandlijk juk niet meer:/Nu dwingt zijn hand natuur, gebruikt, begrenst haar krachten,” (p. 13) Binnen de mens is het de rede, en enkel zij, die volgens de dichter daarvoor zorgen kan: vandaar op pagina 16 een volle bladzijde lof op de rede, die ook met plichtsbesef en de stem van het geweten vereenzelvigd wordt: inzicht kortom in wat noodzakelijk is. Die noodzaak roept uiteraard weer het voorafgaande plan op, dat aan de vooruitgang en de toenemende Verlichting ten grondslag ligt, en die door de dichter expliciet met God verbonden wordt (waarbij de rede expliciet ‘Godsstem’ genoemd wordt (p. 18)).

Toch wordt op het einde van deze eerste zang opnieuw een ommekeer gesuggereerd, wanneer de ‘schrikbre nacht’ van de twijfel opgeroepen wordt: “Afgrijsselijke taal, ontzind, wanhopig vrezen !”, zo heet het, maar daar wordt onmiddellijk tegenover gesteld:

“Kan ’t geen ge onmidlijk kent een bron van twijfel zijn ?
Of is uw aanleg zelf niets meer dan ijdle schijn ?
De wet, door ’t Godlijk stift in uw gemoed gedreven,
Schiep de aandrift van uw’ wil om eindloos voort te streven.” (p. 21)

Waarna de eerste zang eindigt met een evocatie van enkele positieve voorbeelden uit de geschiedenis, van mannen die volgens de dichter de Verlichting als het ware incarneren: Cato, Socrates, Copernicus…

Wie niet genoemd wordt in deze eerste zang is Kant. Nochtans verwijzen de nadruk die Klyn legt op zelfwerkzaamheid, op de rol van kunst en wetenschap, op de geleidelijkheid van het verlichtingsproces, op de rol van de wijsbegeerte in de tweede zang, op het empirische moment in bv. het vorige citaat, overduidelijk naar Kant. Vooral de tweede zang kan beschouwd worden als een uitwerking van de volgende idee van Kant:

“Ein Zeitalter kann sich nicht verbünden und darauf verschwören, das folgende in einen Zustand zu setzen, darin es ihm unmöglich werden muss, seine (…) Erkenntnisse zu erweitern, von Irrtümern zu reinigen, und überhaupt in der Aufklärung weiter zu schreiten. Das wäre ein Verbrechen wider die menschliche Natur, deren ursprüngliche Bestimmung gerade in diesem Fortschreiten besteht.“ (uit: Beantwortung der Frage: was ist Aufklärung, 1783, geciteerd naar www.prometheusonline.de)

Na de invocatie van de wijsbegeerte en een hernieuwde aandacht voor de ‚kronkelpaan’, het ‚wislend spoor’, maar ook de ‚eigen kracht’ waarmee gewerkt moet worden, bevat het gros van deze tweede zang een historisch overzicht over de beschavingsgeschiedenis van de mensheid en de momenten van Verlichting daarin, de vooruitgang die Klyn ontwaart binnen het ‘zwart tafereel der wentlende eeuwen’ (p.27)

Dit overzicht begint met een fraaie homerische vergelijking, een van de langste voorbeelden ervan ook, en die ik graag in zijn geheel citeer:

“Gelijk een breede stroom, van ’t hoog gebergte vloeijend,
En in zijn snellen vaart, en veld en beemd besproeijend,
Al bruisend van zijn bron vrij langs zijne oevers vliet,
En kronklend in zijn’ gang door allen weêrstand schiet,
Nu plotslings zich verliest, zich stort in ’s afgronds kolken,
En zijnen loop onttrekt aan ’t zoekend oog der volken,
Doch echter voorwaarts snelt, en, onder ’t vlak der aard’,
Zijn’ vasten gang vervolgt met onbeperkte vaart,
Dan weêr zijn schuimend nat, hoe schijnbaar ook verloren,
Met nieuwe krachten doet door allen weêrstand boren,
Geweldig dringt door de aard’ met een’ versnelden spoed,
En ’t oog nu op zijn’ loop weêr tintlend staren doet;
Zoo zie ‘k, verheven mensch ! u rustloos voorwaarts streven;” (p.27)

Het is m.i. niet alleen een evocatie van de evolutie van de Verlichting, maar een treffend beeld voor de (menselijke) geschiedenis tout court, die in Klyns gedicht begint in donkere voortijden, waarin vooral chaos heerste, maar langzamerhand toch ook de eerste waarden (familie, vandaar later dan vaderland) ontstonden. Maar van echte beschaving kon slechts gesproken worden vanaf het ogenblik dat de kunst ontstond: Klyn noemt Orpheus, Homeros en het tempelcomplex van ‘Tentyra’ (Dendera) (pp. 30-31). Daarna pas noemt hij het recht (de wijze wetten van Attica). Rome wordt dan weer negatief voorgesteld, maar zelfs daarin is wel een lichtstraal te ontdekken. Zo was ook het christendom oorspronkelijk zuiver (een natuurlijke godsdienst, zonder kerk of andere strak priesterlijk juk), maar het dwaalde af en werd slechts door Luther (“ô Luther ! ja, uw geest, door hooger licht bestraald,/Heeft op verblinden waan met moed gezegepraald;” (p. 38)). Zoals de basisstructuur van het gedicht bijna voorschrijft worden doorheen heel dit overzicht telkens positieve elementen afgewisseld met negatieve, met dien verstande uiteraard dat uiteindelijk, in laatste instantie, de positieve het altijd halen. Bij die negatieve worden ook de Noormannen genoemd, en, uiterst actueel, de Islam:

“Het is uw vuige magt, die, waar ge ook heen durft streven,
Ontzinde Mahomet ! ’t all’ voor uw woên doet beven.
Er gloeit een flikkrend licht in uwe ontmenschte hand;
Maar, ’t is de toorts des schriks; ze ontsteekt een’ woesten brand.
Gij poogt, door priesterjuk, Verlichting te verpletten,
En op der volken nek uw’ vuigen voet te zetten;” (p. 36-37)

‘Doodelijke damp’, ‘verderf’, ‘kroost des nachts’ wordt de Islam ook nog genoemd. De huidige vooroordelen tegen deze godsdienst, die in het Westen weer meer en meer gecriminaliseerd wordt, zijn een atavisme, dat nog veel verder teruggaat dan de 18de eeuw van Klyn; in de middeleeuwse literatuur is dat al terug te vinden, expliciet, en met steeds dezelfde vooroordelen, die ook in het huidige politieke discours nog terugkeren.

Maar terug naar Klyn. Uiteindelijk komt hij bij de 18de eeuw aan, zijn geboorte-eeuw, èn uiteraard dè eeuw van de Verlichting, die als de beste totnogtoe in de menselijke beschavingsgeschiedenis wordt voorgesteld:

“De mensch, van dwang verlost, dorst ruimer adem halen;
De Godsdienst, in een grootsch en schooner kleed gehuld,
Zag met een’ edler gang haar’ eersten wensch vervuld;
De wijsbegeerte deed der menschen geest ontgloeijen;
De kunsten zagen ras hunn’ invloed welig bloeijen;
De handel, op den rug der golven voortgesneld,
Had ras zelfs ’t eind’ der aard’ het klimmend licht gemeld.” (p. 39)

Dan wordt nog even de drukkunst vermeld als een van de belangrijkste elementen om de duisternis te verdrijven, en dan volgen enkele expliciete voorbeelden van verlichte geesten uit Klyns eigen tijd (p. 41), waarbij tenslotte ook Kant zelve één keer genoemd wordt (p. 42). Zodat het niet verwondert dat ook op het einde nogmaals de nadruk gelegd wordt op de ‘eigen kracht’, ‘zijn eigen werk’, ‘zijn doel’. Dat lijkt me een duidelijke en bijna expliciete echo van Kants beroemde definitie van Verlichting, zoals die aan het begin staat van de tekst die ik daarstraks al citeerde: “ Aufklärung ist der Ausgang des Menschen aus seiner selbstverschuldeten Unmündigkeit. (…) Sapere aude ! Habe Mut, dich deines eigenen Verstandes zu bedienen ! ist also der Wahlspruch der Aufklärung.“

De wilskracht die een dergelijke houding impliceert wordt op het einde van het gedicht impliciet – iconisch – sterk benadrukt door het gebruik van een hele hoop imperatieven (p. 45), die voorafgaan aan een wel heel optimistisch en verregaand vooruitzicht op een stralende toekomst:

“Gij zijt, als ’s menschen geest, verr’ boven ’t stof verheven;
Onvatbaar voor dien stroom, begrenst geen magt uw streven.
Geen tijd, die, in zijn vaart u ooit beperken zal,
Gij staat, en blijft, zelfs bij de slooping van ’t heelal. –“ (p. 46)

Waarmee de dichter uiteindelijk lijkt te zeggen dat Verlichting en God quasi volledig samenvallen.

Hierna volgen nog enkele bladzijden met aantekeningen, zoals vooral bij leerdichten uit de 18de en 19de eeuw gebruikelijk was. Opmerkelijk hier is enkel het volgende citaat uit aanmerking 8 (p. 52): “Ik wil hiermede geenszins zeggen, dat wij ten dezen opzigte reeds in een verlicht tijdperk zijn; – neen: de eeuw, welke wij beleven, is geene verlichte eeuw, maar wel eene eeuw van Verlichting”. Opmerkelijk omdat het een quasi letterlijk citaat is van Kant uit diens reeds geciteerde tekst, en zonder dat Klyn aangeeft dat het een citaat is. Bij Kant heet het inderdaad: „Wenn denn nun gefragt wird: Leben wir jetzt in einem aufgeklärten Zeitalter ? so ist die Antwort: Nein, aber wohl in einem Zeitalter der Aufklärung.“

Intrinsiek is dit gedicht al belangrijk, omdat het bij mijn weten het enige is in het Nederlands (en daarbuiten?) dat de eigentijdse filosofisch-maatschappelijke visie op het begrip Verlichting zo poëtisch uitwerkt; belangrijker wordt het nog door de expliciete aansluiting bij Kant. Zelf heb ik enkel de belangrijkste overeenkomsten met Kants bekendste tekst over de Verlichting aangestipt, maar het lijkt me diepgaande onderzoek waard om te achterhalen of Klyn ook niet andere teksten van Kant gebruikt heeft, en in hoeverre zijn gedicht beschouwd kan worden als een werkelijke volkomen illustratie van Kants denkbeelden in de tekst Beantwortung der Frage: was ist Aufklärung?

Hoe dan ook: in toekomstige overzichten over de 18de eeuw, over Verlichting in de letteren et tutti quanti, mag dit gedicht niet meer onvermeld blijven, evenmin als het leerdicht van Jan Schouten over de vrijmetselarij.

000

Zowel Klyn als Simons waren vrijmetselaren, maar hun respectieve gedichten over de Verlichting verschenen buiten elke maçonnieke, in een zuiver profane context dus: het gedicht van Simons in een van zijn voor de gewone handel bestemde dichtbundels, en het gedicht van Klyn als afzonderlijke publicatie, eveneens voor een profaan publiek, in het kader van ‘Werken der Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde’. De geest van de vrijmetselarij is in beide gedichten echter wel aanwezig, duidelijker uiteraard bij Klyn dan bij Simons. De twee volgende gedichten over ons onderwerp ademen ook volledig de geest der vrijmetselarij, hetgeen in die twee gevallen mede komt door het feit dat het expliciet maçonnieke gedichten zijn, bestemd voor een publiek van vrijmetselaren, en die nooit daarbuiten in de handel geweest zijn.

000

c) G. SWARTENDIJK STIERLING

De volledige titel van dit tamelijk lange gedicht luidt: De Verlichting, aan de Loge VICIT VIM VIRTUS, te Haarlem. Bij gelegenheid der bevordering van een Br. tot Meester, en de aanneming van twee Leerlingen, op Sint-Jan. 5810. Het verscheen in de Nederlandsche Vrijmetselaars-almanak voor het jaar 1811, en werd voor zover ik kon achterhalen, daarbuiten niet meer gepubliceerd. Ook de schrijver is mij verder niet bekend, want in de contemporaine poëzie heb ik hem niet teruggevonden, maar ik moet wel toegeven dat ik niet alle jaargangen van alle tijdschriften, jaarboeken en almanakken uit die tijd systematisch doorgenomen heb. Wel is het zo, dat in de grote Nederlandse bibliotheken een tiental werken van hem aanwezig zijn, waaruit blijkt dat hij geneesheer was; slechts in twee gevallen betreft het gelegenheidsdichtstukjes.

De titel van ons gedicht wijst erop – letterlijk – dat we, zoals bij Simons, ook hier met een gelegenheidsgedicht te maken hebben, maar analyse van de tekst zal uitwijzen dat dit met een grote korrel zout genomen moet worden, en dat het gedicht meer is dan een louter gelegenheidsgedicht.

Zoals dat van Simons – en zoals het vierde, dat van Schouten – hebben we weer met een ode te maken, in dizains, 24 in getal, en die het rijmschema abcbddeffe vertonen. Het gedicht is ook mooi gestructureerd in een introductie, een lang middenstuk met daarin één strofe als kern, en een sluitstuk, waarin de eigenlijke ‘gelegenheid’ behandeld wordt.

De eerste vier strofen kunnen als een introductie beschouwd worden; zij vormen een soort ‘Natureingang’, die begint met volkomen duisternis en nacht, waarin dan echter langzaam de dageraad en dus het licht doorbreekt. Een soort allegorie dus, waarbij in strofe vier sprake is van gordijnen die worden opengerukt, en van sluiers die wijken om Aurora doorgang te verlenen. Bij het begin van strofe vijf is het licht volledig doorgebroken:

“Juicht nu te zaam, door dank gedreven;
O schepping, hef uw lofzang aan !
Met nieuw en als herlevend leven
O Menschdom, juich in uw bestaan !
Verbannen zij het hier van zorgen
En Nevels, door den frischen M o r g e n,
Die koest’rend U in ’t aanschijn gloort,
Wier blijde glans zijn’ purperstralen
Met warmen gloed doet nederdalen,
En zacht betoovrend ’t oog bekoort !” (p.71)

Dit loflied op het licht kan als overgang beschouwd worden naar het middenstuk van het gedicht, waarin op meer filosofische, maar toch ook nog allegorische wijze de wijsgerige Verlichting bezongen wordt. In het voorgaande valt op, dat de dichter zijn metier beter beheerst dan men van een amateur zou verwachten; vooral het spel der klanken valt op.

In de strofen zes en zeven wordt het allegorische karakter van het voorgaande ‘opgelost’, m.a.w. er wordt letterlijk gezegd waar de beelden van nacht, duisternis en licht voor staan – waarbij ook weer het begrip ‘zelfvolmaking’ optreedt – , en dat culmineert in de achtste strofe, die mijns inziens de kernstrofe van het hele gedicht is:

“En zou dit vuur der z u i v r e R e d e
Gedoogen dat uw luister taan’ ?
Zou dan de v a t b a a r h e i d voor w a a r h e i d
Met w a a r h e i d te gelijk vergaan ?
Belemmert niet een’ Nacht van Dwaling
En Bijgeloof elk’ ademhaling
Die zich de vrije Ziel vergunt ?
Ruk weg dat floers van nacht’lijk Duister;
Sta éérst bestraald door Wijsheids luister,
En wordt dan – w a t G i j w o r d e n k u n t !” (p.73)

Het zijn uiteraard steeds dezelfde begrippen (in het positieve zoals in het negatieve) die terugkomen, die we bij Simons en Klyn al lazen, en die we ook bij Schouten zullen lezen.

In de strofen negen en tien wordt een nieuwe kleine allegorie uitgewerkt, van de blinde die toch leert zien o.i.v. het zonlicht dat de rede is. Daarbij treden weer de Kantiaanse begrippen natuur en kunst op, waar ook Klyn zo’n belang aan hechtte, alsook ‘Zelfwerkzaamheid en Kunstvermogen’. Dit licht van de rede moet dan tot dieper inzicht voeren, en tot het besef van de belangrijkste waarden, die in de volgende strofen opgesomd worden: het geheel is ‘op het verhevenst D o e l gerigt’ (p.75), zo stelt de dichter, maar welk dat doel is wordt niet gezegd, ook niet impliciet; dat gebeurt evenmin in de 21ste strofe, waar dat ‘verhevenst doel’ nog eens zonder verdere uitleg vernoemd wordt.

Na een oproep tot de Rede om zijn ‘leidsvrouw’ te zijn, roept hij ‘der O r d e S c h u t s h e e r ‘ aan, nl. Sint-Jan (strofe 17):

“…
Toon ons, S i n t – J a n ! den Eereloover
Dien Gij verwierpt; verruk, betoover
Het hart, dat U zijn hulde biedt !
Doe ons Verlichtings-pad bewand’len;
Doe ons, als Gij, verheven hand’len,
En weiger ons Uw bijstand niet !” (p. 77)

De combinatie van een echt gebed tot een heilige middelaar, de patroonheilige van de vrijmetselaars, en het Verlichtingsideaal van de rede, kan vandaag vreemd overkomen, maar in die tijd was dat niet zo: atheïsme kwam nog amper voor, en zeker niet in maçonnieke middens; men streefde enkel naar een loskomen van de organisatorische banden met als onderdrukkend ervaren kerken, om zodoende tot een natuurlijke religie te komen.

Het gebed gaat verder in de volgende twee strofen, met dit verschil dat in strofe 18 de vrijmetselarij expliciet genoemd wordt, en ook haar drie zuilen Kracht, Wijsheid en Schoonheid.

Van strofe 20 tot en met 24 – deze vormen het derde deel van het gedicht – wordt dit dan echt een gelegenheidsgedicht: strofe 20 richt zich rechtstreeks tot de persoon die tot het meesterschap, de derde graad dus, verheven wordt, terwijl het resterende gedeelte zich expliciet tot de nieuw ingewijde profanen, de leerlingen dus, richt. Zij hebben, zo heet het, ‘den e e n i g w a r e n weg’ (toen bestond die blijkbaar nog, kon hij alleszins nog gevonden worden) betreden, en die ‘leert ons w a a r g e l u k k i g zijn!’, als men wijsbegeerte en plichtsbetrachting maar ter harte neemt.

Concluderend mogen we, denk ik, wel stellen dat dit voor een amateur en gelegenheidsdichter niet eens zo’n slecht gedicht is: de Natureingang brengt de lezer (toehoorder eerder in die tijd) onmiddellijk in de somberte van duisternis en ‘doodsslaap der natuur’, waarna hij als het ware mee omhoog wordt genomen naar het licht; slechts daarna wordt de allegorie grotendeels verlaten om plaats te maken voor filosofisch-dichterlijke bespiegeling, waarbij we uiteraard dezelfde ingrediënten tegenkomen als bij Simons en Klyn: zelfwerkzaamheid, belang van de kunst, opvoeding, vooruitgangsgedachte etc. In dat kader stoort ook de afsluiting van het gedicht niet, integendeel zelfs: de boodschap wordt nog eens samengevat en eigenlijk nu tot de lezer gericht, die de facto de plaats heeft ingenomen van de kandidaat-meester en de kandidaat-leerlingen, die oorspronkelijk aangesproken werden.

d) Jan SCHOUTEN

Het vierde en laatste gedicht dat ik hier summier bespreek heet heel eenvoudig ‘De Verlichting’ en verscheen eveneens in de Nederlandsche Vrijmetselaars-almanak, die voor het jaar 1817.

De dichter is de welbekende scheepsbouwer uit Dordrecht, die ook jarenlang gedeputeerd Grootmeester van de Orde der Vrijmetselaren onder het Groot-Oosten der Nederlanden was. Bezoekers van mijn website zullen weten dat daar een opstel van meer dan honderd bladzijden gepubliceerd werd over Jan Schouten en zijn hoofdwerk De vrijmetselarij, in drie zangen, dat, wat mij betreft, als hèt gedicht van de Verlichting in de Nederlandse literatuur beschouwd mag worden. Het verscheen overigens in hetzelfde jaar als het hier besproken gedicht.

Zoals het vorige, en in tegenstelling tot de eerste twee, is dus ook dit een expliciet maçonniek gedicht, niet alleen door de publicatiecontext, maar ook door de tekst zelf. Het is een gedicht van veertien strofen, zoals die van Simons en Swartendijk Stierling in dizains geschreven en met het rijmschema ababccdeed. Weer een ode dus.

“Stijg op, rijs glansrijk tot de wolken,
De lamp der Rede in uwe hand;
Stijg op, sieraad der wereldvolken,
Godinne van ’t gezond verstand !
Verlichting, Troetelkind der Wijzen,
Blijf in uw schittrend luchtspoor rijzen;
Stijg, stijg bestendig hooger op,
En sla, met uw’ reuzinnen-vleuglen,
De domheid, die u wil beteuglen,
Ten afgrond met verpletten kop !” (p. 76)

Aldus begin Schouten zijn gedicht op de meest directe wijze, vol imperatieven ook: geen introductie, overgangen, aanroeping van muzen onder welke vorm ook – zoals bij de drie voorgangers – maar onmiddellijk een soms zelfs martiaal aandoend (de laatste twee verzen) loflied op de Verlichting, maar die anderzijds wordt gelijkgesteld met het toch zeer (klein)burgerlijk aandoende ‘gezond verstand’.

De tweede en de derde strofe ontwikkelt de tegenstelling tussen het aardse, stoffelijke (de worm!) en het geestelijke, voorwaartsstrevende, hemelse (de adelaar!), wat dan verder wordt uitgewerkt als tegenstelling tussen vrijheid enerzijds en priesterjuk anderzijds. Opvallend vooral in de vierde en vijfde strofe zijn klanken die als het ware antikolonialistisch avant-la-lettre aandoen: Mexico wordt daarin opgeroepen en hoe de ‘dweepzucht’ en het ‘dweepziek Priesterdom’ daar misbruik gemaakt hebben van de godsdienst om ‘het vrije volk in keetnen (te) slaan’. Volgens Schouten is een dergelijke handelwijze in strijd met de uitgangspunten van de Verlichting en de Godheid zelve:

“…
De Godheid sprak: “Ik wil geen’ slaven:
“De mensch, in ’t hart der aard begraven,
“Als hij het goud der mijnen slaakt,
“Wien dood dreigt,als gij vreugd kunt rapen,
“Is uit dezelfde klei geschapen,
“En naar mijn evenbeeld gemaakt.” (p.77)

M.a.w.: de godsdienst wordt hier ontmaskerd als bedrog waarachter slechts geldzucht, uitbuiting en slavernij schuilgaan. Maar laten we wel wezen: Schouten was zelf een godsdienstig man, en wat hij veroordeelt is Rome en de katholieke kerk. Het is dan ook geen toeval dat in strofe zes, waarin enkele verlichte voorbeelden genoemd worden, als eerste Las Casas mag opdraven. Maar anderzijds, en als ik mij een anachronisme mag veroorloven: zoals zijn tegenstanders èn zijn medestanders leeft ook Schouten nog in het gelukzalige besef een rechtstreekse telefoonlijn met God te bezitten.

Na een verdere opwekking (‘Op dan, mijn Geest, schoei aan uw’ vleuglen:/Voer mij den gansen aardbol rond:’) gaat hij op die ingeslagen weg verder, en geeft hij, vanaf de strofe 7 tot en met de strofe twaalf, voorbeelden van Verlichting uit de wereldgeschiedenis, een soort overzicht zoals ook Klyn dat in zijn tweede zang gegeven had, alleen is Schouten – gelet ook op de aard van het gedicht: daar leerdicht, hier ode – veel beknopter. Wat ook overeenkomt met Klyn is de geleidelijke vooruitgang, spiraalvormig als het ware, met af en toe een terugval in duisternis, maar met toch steeds dat stralende licht aan de einder.

Achtereenvolgens komen aan bod: Egypte, Griekenland, Rome, de Middeleeuwen; bij dit laatste wordt weer sterk de nadruk gelegd op de nefaste rol van de inquisitie, en steeds en overal worden tempels vermeld, en de kunst in het algemeen, net zoals bij Klyn (en Kant !) dus. In het bijzonder in strofe elf wordt ook de tegenstelling katholiek-protestant scherp in de verf gezet:

“…
De Taag kruipt weer aan priester-kluister
Terug naar ’t middeleeuwsche duister,
Beheerscht door dweepziek onverstand;
Maar zalig zijn Germanje’s oorden,
De vrije Theems en Neva’s boorden;
Volzalig is mijn Vaderland !” (p. 79)

En in de twaalfde strofe wordt dan de positieve toestand in Nederland bezongen, waar werd ‘gesticht het heerlijkst licht-verbond’ (p.80). Maar zoals uit de dertiende strofe blijkt is Nederland niet meer dan een voorbeeld, want het bedoelde verbond moet uiteindelijk de gehele mensheid omsluiten. En daarbij, zo Jan Schouten, moeten de vrijmetselaren het voortouw nemen, zij moeten niet meer of niet minder worden dan de priesters van de Verlichting, zoals het in de laatste strofe heet, waarin vooreerst nog een wens wordt uitgedrukt (‘neem ons…aan’), waarna wordt overgegaan tot het gebruik van de toekomende tijd (‘Verlichting zal…’) om in het laatste vers te eindigen met een tegenwoordige tijd, alsof de wensdroom al werkelijkheid geworden ware, en de sterke imperatieven van de eerste strofe in de loop van het gedicht en van de tijden hun werk met voldoening hebben uitgevoerd:

“Verlichting, eedle Metselzoonen !
Neem’ ons als hare Priesters aan;
En wie haar’ dienst zou durven hoonen;
Moet in den donkren nacht vergaan.
Verlichting zal ’t heelal bezielen,
Het menschdom voor haar outer knielen;
De volkren worden eens haar waard.
Als de aardbol op zijn spil zal kraken,
De dooden in hun graf ontwaken,
Dan zweeft zij boven ’t puin der aard.” (p.80)

000

Vier maal hetzelfde, maar vier maal op een andere manier, d.w.z.: de belangrijkste thema’s die met de Verlichting te maken hebben (vooruitgangsgeloof, rol van de kunsten in de beschaving, opvoeding, zoeken en behandelen van voorbeelden uit de geschiedenis…) komen terug bij de vier dichters, met uiteraard andere accenten: in drie van de vier gevallen is voor de vorm van een ode gekozen, alsof het al vanzelf sprak wat de Verlichting voor waardevols inhield. Enkel Klyn is didactischer en kiest voor de vorm van het leerdicht. De vier tezamen betekenen hoe dan ook dat de Verlichting leefde onder de dichters van die tijd, en dus ook onder de maatschappelijke elite (laten we niet vergeten dat bv. de niet gestudeerd hebbende Schouten een der belangrijkste mannen van Nederland was, als scheepsbouwer, als politicus, als hoofd van de Nederlandse vrijmetselarij). De ideeën die we in deze vier gedichten zijn tegengekomen, vinden we ook elders terug, in andere gedichten van dezen of van tijdgenoten. Daarbij denk ik voornamelijk aan het genre van het leerdicht, dat in die tijd zeer veel beoefend werd, wat uiteraard volledig in overeenstemming is met de opvoedkundige inzichten en aard van de Verlichting (men zie Kant), en wellicht van de Nederlandse volksaard. Een voorbeeld slechts: Klyn schreef éen van de langste leerdichten uit de Nederlandse literatuur, De Driften, waarin het vooral over het beteugelen daarvan gaat; een werk dat gelezen zou moeten worden in het licht van Elias’ beroemde werk over het ontstaan en de ontwikkeling van de beschaving.

Maar in tegenstelling tot Engeland en vooral Duitsland is het leerdicht in het Nederlands nog helemaal niet bestudeerd. Nochtans zou een studie zoals die van Siegrist voor Duitsland, heel wat inzichten kunnen opleveren, vermoed ik. Ook de vier in dit stuk behandelde gedichten werden totnogtoe nergens ook maar vermeld. Misschien zou daaraan verholpen kunnen worden in het aan de 18de eeuw gewijde deel van de geschiedenis van de Nederlandse letteren, die op het ogenblik aan ’t verschijnen is? We zullen zien.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


17 + zeventien =