f.e.

| Geen reacties

“man bat gott tagtäglich, uns vor
dem pabst wie vor dem türken
zu beschützen.“
Holtei

in een tijd
toen er amper vluchtelingen waren
kwam david jansen
hoe opgejaagd ook
elke week weer
op zijn vrije pootjes terecht.

maar dat was werkelijkheid,
dit is fictie:

het politieke pluimvee
kakelt in haar parlementen
over een vos zonder vacht
die met zachte stem
de dodenvespers zingt,
terwijl zij elkaar en ons en haar
voortdurend en tomeloos turken.

fanatieke falsetstemmen alom,
eender en toch steeds anders van toon;
haaien, zwemmen zij wildweg
rondom een mogelijke prooi,
in een razende zee, uitzinnig,
ijverig op zoek naar buit,
een bibberend slachtoffer.

een vogel en een kat
een wolf en een lam
een hond en een haas
wie jaagt wie
angst aan ?

is dit een fictief Kriechenland
in een verre wrede eeuw ?
ijzige wereld,
die zelfs het zachtste hart
uiteindelijk verkrampen doet.

eender zijn alle dalen op aarde,
ruim genoeg om zich te verschuilen,
denkt men;
aan de horizon komen zij echter nader,
later, de uitgehongerde honden,

een tulband
rond een hersenloos hoofd
– pak, sultan ! –
als de halvemaanvormige
sikkel van de dood.

en later:
een komende kogel
en het kloppende hart van een vogel
in een mensenhand,

en nog later,
wanneer der grosse Türk ist kummen her
groeit op een graf
lilium martagon,
zingt in een prieel
streptopelia decaocto.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vier × 5 =