Lucebert over vrijmetselarij

| Geen reacties

Lucebert (foto Chris van Houts)

Niemand heeft tot op vandaag Lucebert in verband gebracht met de vrijmetselarij – en ik ben evenmin op de hoogte van enige band tussen de dichter en de vrijmetselarij als instituut, het Grootoosten der Nederlanden in casu. Wel is het zo dat zijn jeugdvriend en latere medebroeder in de beweging van vijftig, Hans Andreus, gedurende enkele jaren lid is geweest van een vrijmetselaarsloge; maar na die paar jaar zag hij het inderdaad blijkbaar niet meer zitten, en heeft hij gewoon zijn ontslag gegeven bij de orde (1). Zouden zij daarover met elkaar gesproken hebben?

Feit is alleszins dat Lucebert in 1974 een gedicht publiceerde met als titel De vrije metselaar gebonden (2), dat een duidelijke anti-maçonnieke boodschap in zich draagt, ook al is het gedicht op vele plaatsen heel wat minder duidelijk – zoals je trouwens van een Lucebertgedicht mag verwachten.

Wanneer je ervan uit gaat dat de vrijmetselarij in haar hoofdstroming (3) – die zeker in Nederland overweegt – een religieuze vereniging is, vaak van esoterische aard, en soms naar het mystieke neigend, dan zou je ervan kunnen uitgaan dat Lucebert zich wellicht wel aangetrokken zou kunnen hebben gevoeld door de vrijmetselarij. Of dat zo was weet ik dus niet, en mij is ook geen enkel gegeven bekend dat van verre of van nabij daarop zou kunnen wijzen. Maar Lucebert is wel altijd een zeer religieus dichter geweest, met een sterke hang naar het mystieke (4), ook al stelt hij uitdrukkelijk niet in God te geloven (5).

Echt verwonderlijk zou enige aantrekkingskracht voor de vrijmetselarij dus niet zijn. Maar in het hier te bespreken gedicht is eerder van het tegendeel, afkeer en afwijzing, sprake. Waarbij een eerste opmerking van de opmerkzame lezer zou kunnen zijn: gaat het wel over vrijmetselaars en vrijmetselarij? Immers, in de titel is sprake van een ‘vrije metselaar’ en niet van een ‘vrijmetselaar’? Maar dat verschil is goed verklaarbaar, niet alleen historisch-etymologisch: het woord ‘vrijmetselaar’ komt immers voort uit de samentrekking tot één woord van de twee bestanddelen, het adjectief en het substantief. Daarenboven is hier, in dit gedicht, de oorspronkelijke uitdrukking explicieter, want enerzijds legt zij sterker de nadruk op de vrijheid – hoe ook te verstaan – van de metselaar, en anderzijds verscherpt deze uitdrukking de tegenstelling met de gebondenheid, het absolute tegendeel dus van de vrijheid, in het einde van de titel.

De titel sluit zodoende naadloos aan bij andere titels van Lucebert, waarin elkaar uitsluitende tegenpolen opgeroepen worden: de afgrond en de luchtmens, de roerloze woelgeest, de maltentige losbol enz. Je zou dit soort oxymoroi, en het levensgevoel dat erin tot uiting komt, als een structuurconstante in Luceberts poëzie kunnen beschouwen (6).

Om voor mijzelf op de eerste plaats – maar wellicht zullen ook anderen er iets aan kunnen hebben? – om voor mijzelf dus duidelijk te maken wat Lucebert in feite zegt in dit gedicht, heb ik besloten er een soort close-reading van te maken; dat lijkt me nog steeds de beste manier om in moeilijke teksten, i.c. gedichten door te dringen. Ik zal het gedicht strofe na strofe proberen te ontleden – niet op een uitputtende manier echter; omdat het mij hier vooral om het wat te doen is zal ik bv. weinig nadruk leggen op de manier waarop Lucebert zijn ‘boodschap’ naar voren brengt, tenzij wanneer het niet anders kan uiteraard; maar ook wat die inhoud betreft, zal ik proberen me tot de hoofdpunten te beperken – om het gelezene daarna samen te vatten in een soort synthese. De nummering van de strofen is van mij.

1.xxxxmen zal zonder reden
deze hemel betreden
en de vlek die men metselt
in zijn eigen opperman vervloeken

 

Het is de kortste strofe van het erg lange gedicht, en kan dus als een soort introductie beschouwd worden. Ook het eerste woord wijst daarop: het onpersoonlijke voornaamwoord ‘men’ waarmee het gedicht opent duidt inderdaad iedereen aan; verderop zal het sporadisch nog voorkomen, maar vanaf de tweede strofe treedt expliciet een ‘hij’ op de voorgrond, waarin we dan één exemplaar van de velen die met ‘men’ worden aangeduid, kunnen zien, een voorbeeld als het ware, een gepersonifieerde ‘elckerlyck’.

Met ‘deze hemel’ wordt, gelet op de titel van het gedicht, waarschijnlijk de tempel van de vrije metselaren / vrijmetselaars bedoeld, hoewel dat hier nog niet heel zeker is. Evenmin zeker is een mogelijke ironische ondertoon, de ‘hemel’ is immers de plaats waar de zaligen na hun dood samen komen om in eeuwige gelukzaligheid God te aanschouwen. De maçonnieke inwijding in de eerste graad is ook een symbolische dood, waarna de ingewijde zijn plaats mag innemen in de sacrale ruimte, die de tempel is (‘de hemel betreden’). Waarbij men ook voor ogen moet houden, dat het plafond van een maçonnieke tempel het uitspansel symboliseert, vandaar dat er soms inderdaad sterren op getekend zijn: de maçonnieke tempel strekt zich immers uit ‘van het oosten tot het westen, van het zuiden tot het noorden, van het zenit tot het nadir’, zoals het heet; m.a.w.: de tempel stelt het heelal, de kosmos voor, die begrensd wordt door de hemel.

De twee volgende verzen zijn nogal onduidelijk. Het is inderdaad zo, dat de individuele vrijmetselaar (zo zal ik het in ’t vervolg van dit stuk maar blijven noemen) geacht wordt op symbolische wijze mede te bouwen, te metselen dus, aan de tempel der mensheid. Maar een ‘vlek’ metselen? Het woord heeft vooreerst een negatieve connotatie, het duidt een vuile plek aan, of minstens een plek die qua kleur of zo afwijkt van de omgeving (in dat laatste geval dus niet noodzakelijkerwijze negatief). Maar misschien moeten we op de eerste plaats aan een figuurlijke betekenis denken: de blinde vlek, het feit dat men iets niet inziet, niet begrijpt, verkeerd interpreteert. Door de tempel te betreden zou men dan die blinde vlek nog gaan versterken, een metselwerk moet immers voor een tijdje standhouden; m.a.w.: men organiseert zijn eigen blindheid, zijn eigen kortzichtigheid.

Het laatste vers kan daarbij aansluiten, want een ‘opperman’ is een knecht, een helper van een metselaar, die mortel en bakstenen aandraagt. De aangeleerde kortzichtigheid voert kortom ook nog eens tot hoogmoed, waarbij de eigen fouten worden afgewenteld op de ondergeschikten. Iets dat uiteraard overal voorkomt waar mensen in groep samenkomen, ook, inderdaad, bij vrijmetselaren.

Maar blijkbaar is de dichter van oordeel – gesteld dat mijn interpretatie van de eerste strofe min of meer klopt – dat dit proces bij vrijmetselaars sterker op de voorgrond treedt, meer uitgesproken optreedt, kenmerkender is voor de vereniging als zodanig. We zullen zien wat de dichter verder, na zijn al bij al toch eerder negatieve introductie, nog te zeggen heeft.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


19 − 6 =