De vrijmetselarij in het volksgeloof en het volksverhaal

| Geen reacties

Bespreking van: Alfons ROECK: ‘De vrijmetselarij in het volksgeloof en het volksverhaal’, in: Volkskunde, jg. 99, 1998, nr. 3 (juli-september) en nr. 4 (oktober-december). Uitgave van het Centrum voor Studie en Documentatie vzw. Gilles de Pélichylei 97, 2970 – ’s Gravenwezel.

Behalve een onuitgegeven licentieverhandeling in de psychologie van wijlen broeder Dirk de Schampheleire, is mij slechts één ander werk bekend, waarin volgens de methoden van de sociologie, door middel van vragenlijsten die zowel aan profanen als aan vrijmetselaars ter beantwoording werden voorgelegd, het beeld van de vrijmetselarij onderzocht werd dat onder de bevolking leeft [1]. Drie hoofdstukken uit het derde deel van dat werk handelden over volksgeloof en bijgeloof.

En nu werden dus twee volledige nummers van het tijdschrift Volksleven enkel en alleen aan die aspecten gewijd. Dat maakt een boekdeel van toch ruim 180 bladzijden, over een onderwerp dat niet alleen op zichzelf interessant is – hoe zagen of zien profanen ons en onze orde – , maar dat in de meestal zeer ernstige literatuur over vrijmetselarij ook eens wat afwisseling brengt, omdat het, bij alle professionaliteit van het onderzoek, toch voor een komische noot zorgt.

Na twee inleidende hoofdstukken bevat het werk zes thematische hoofdstukken, waarin verschillende aspecten van het vrijmetselaarsleven aan bod komen, één synthetisch hoofdstuk, en tenslotte een afsluitend hoofdstuk op basis van de vragen ‘wie, waar, waarom’. Het geheel wordt afgerond met een samenvatting in de vorm van een reeks stellingen en een beknopte bibliografie.Het eerste hoofdstuk geeft een beknopt overzicht van de vrijmetselarij, haar kenmerken en geschiedenis, voldoende voor de lezer die er niet bekend mee is, en alleszins voldoende om het eigenlijke corpus te kunnen begrijpen. Belangrijker lijkt mij het tweede inleidende hoofdstuk, over de bronnen: er is op de eerste plaats gedrukt materiaal, vroegere studies over vrijmetselarij in het volksleven, uit binnen- en buitenland, die meestal uit de eerste helft van de 20ste eeuw dateren. De voornaamste bron is echter het resultaat van veldwerk: een reeks enquêteformulieren die door gespecialiseerde instellingen in Nederland en Vlaanderen werden rondgestuurd in de jaren tachtig en negentig. De antwoorden die daarop binnenkwamen vormen de belangrijkste bron voor de daaropvolgende zeven hoofdstukken.

Dat materiaal werd gerangschikt volgens zes grote thema’s die overeenkomen met belangrijke feiten uit het individuele of groepsvrijmetselaarsleven, waarbij overlappingen uiteraard niet vermeden konden worden. De antwoorden worden vaak in extenso weergegeven, hetgeen meer dan eens vermakelijke lectuur oplevert.

Zo reeds als het over de initiatie gaat, waarbij de vanouds bekende vooroordelen over een pact met Satan, het verkopen van de ziel aan de duivel, tekenen met bloed en het verplicht uitvoeren van profanaties op kruisbeelden en andere religieuze utensiliën uitvoerig een bod komen. Belangrijk lijkt me hier het feit dat dit vooroordeel minstens gedeeltelijk een historische achtergrond heeft, die voornamelijk in Italië ligt, waar de vrijmetselarij al vroeg rabiaat anti-katholiek geworden was: broeder Carducci – Nobelprijs letterkunde! – schreef een bekend en berucht geworden ‘Hymne aan Satan’ en bij officiële inhuldigingen van standbeelden ter ere van de broeders Mazzini en Garibaldi e.a. werden soms vaandels ter ere van Satan meegedragen in het publiek of werden cantates ter ere van Satan gezongen. Van provocaties gesproken!

De volgende twee hoofdstukken handelen over het groepsleven en over de loge zelf, d.i. het gebouw op de eerste plaats. Opvallend is de rol van een zwarte hond, die vaak optreedt in de verhalen, terwijl het verhaal over het kogelvrij zijn van vrijmetselaren, of het feit dat zij geen schaduw werpen eerder amusant zijn. Zo ook het volgende hoofdstuk dat over hun activiteiten gaat: volgens veel antwoorden bestaat dat voornamelijk uit bouwen, maar moeten de vrijmetselaren voortdurend blijven bouwen, omdat hun huizen of andere bouwwerken door allerlei occulte krachten nooit afraken. Wat bij ons symbolisch is – de Tempel der Mensheid raakt nooit af – wordt in het volksgeloof letterlijk genomen.

De twee volgende hoofdstukken zijn de meest omvangrijke, d.w.z. zij hebben het meeste antwoorden opgeleverd. Zij handelen respectievelijk over ‘kerk en loge’ en ‘de dood van de vrijmetselaar’. Dat de antwoorden over het eerste vooral uit Vlaanderen afkomstig zijn ligt voor de hand: Vlaanderen is overwegend katholiek en de vrijmetselarij aldaar overwegend anti-katholiek. In Nederland daarentegen is de hoofdstroming van de vrijmetselarij altijd religieus en zelfs christelijk gebleven. Opvallend in dat hoofdstuk is ook dat soms figuren optreden in de volksverhalen, die werkelijk bestaan hebben maar waaraan allerlei toegeschreven wordt, dat niet alleen nooit gebeurd is, maar niet gebeuren kan. Het hoofdstuk over de dood van de vrijmetselaren is dan weer voor een stuk ‘klassiek’: de obligate verhalen over de aanwezigheid van zwarte honden, maar vooral van broeders die moeten beletten dat de stervende zich op het laatste ogenblik bekeren zou, en die derhalve ervoor zorgen moeten dat geen priester het sterfbed naderen kan, zijn legio. Een curieus anoniem gedicht daarover – helemaal in de sentimentele aard van vele 19de-eeuwse poëzie, die voor een groot gedeelte volkspoëzie is van het soort dat we nu enkel nog terugvinden in smartlappen van de Zangeres zonder Naam e.t.q. – druk ik achter deze bespreking af.

Het zevende hoofdstuk heet ‘contaminaties’ en is in zekere zin een synthetisch hoofdstuk. Wat mij betreft is het ook het belangrijkste hoofdstuk van de studie, omdat de verspreide en vaak anekdotische gegevens uit de verhalen hier in een bredere context geplaatst worden, waarbij de nadruk ligt op de overeenkomsten met andere, vroegere volksverhalen en de continuïteit daarbij.

In de loop van zijn studie heeft de auteur zelf trouwens al op sommige overeenkomsten gewezen, en als hij dat niet deed zal de aandachtige lezer het wel gedaan hebben: het verkopen van de ziel aan de duivel komen we ook tegen in de middeleeuwse Theophiluslegende, die op haar beurt weer teruggaat op préchristelijke bronnen, de zwarte hond die voortdurend terugkomt in de verhalen zien we ook in de Faustlegende, terwijl het feit dat vrijmetselaren geen schaduw zouden hebben overeenkomt met het romantische verhaal over ‘Peter Schlemiel’.

Dat zijn literaire bewerkingen van oeroude volksverhalen. In zijn contaminatiehoofdstuk legt Roeck de nadruk vooral op andere overeenkomsten: met het geloof in heksen en tovenaars, het feit dat vrijmetselaren over een toverboek zouden beschikken (een interpretatie van het Boek van de Heilige Wet?), en verhalen over de Wilde Jacht. Vooral deze laatste zijn eeuwenoud en nog van voorchristelijke tijden; zij handelen over lawaai of mooie muziek die plotseling klinkt in de lucht, wanneer de vrijmetselaars (voordien: heksen; voordien: Walküren…) al dan niet in een hellewagen of –koets door de lucht voorbijtrekken. ‘Was het maar waar’, verzucht men, gedaan met files en dergelijke…

Volgens de literatuurwetenschap is een sage een volksverhaal, dat een historische kern bevat, een uitgangsgegeven dus dat werkelijk gebeurd is of bestaan heeft. Meestal ligt dat zo ver terug dat het niet meer te achterhalen valt, maar bij recentere sagenvorming kan dat soms wel nog. Het laatste, ‘Vragen’ geheten hoofdstuk illustreert dat. Aan de hand van een aantal in verschillende van deze vrijmetselaarssagen voorkomende namen van personen en plaatsen wordt duidelijk geïllustreerd hoe de werkelijkheid wel uitgangspunt kan zijn, maar vooral hoe dat heel snel vervormd wordt en aangedikt tot verhalen die met datzelfde uitgangspunt amper nog iets te doen hebben.

Ernst en luim bevat deze studie dus: een ernstige studie over een hilarisch onderwerp. Boeiende lectuur, die ik elke broeder zou willen aanraden. Het is een op zichzelf interessante studie, zij bevat veel humor, en zij kan ervoor zorgen het eigen beeld wellicht een beetje te relativeren.

VOETNOTEN

(1) Het betreft: Het imago van de Belgische vrijmetselarij. Synthese van een reeks opiniepeilingen. Van wijlen broeder Marcel de Schampheleire. Het verscheen in twee gestencilde delen bij de Vrijmetselaarskring Eureka te Brussel, in 1979. Voor wat het vrijmetselaarsgedeelte betreft is het volledig geënt op het Grootoosten, waar de auteur een vooraanstaand lid van was.

HET GEDICHT (klik op beide thumbnails voor de vergrotingen)

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


4 + 16 =