Biedermeier in Vlaanderen: de poëzie van Arnold Sauwen

| 1 reactie

In 1991 publiceerde Walter Gobbers een lang artikel over Biedermeier in Vlaanderen. Het eerste deel ervan schetste de laatste ontwikkelingen op het gebied van de theorievorming over het Biedermeier. Het tweede deel poogde dat toe te passen op de literatuur in Vlaanderen, maar op een zeer algemene en introducerende wijze, zonder verwijzingen naar specifieke werken, laat staan met gebruikmaking van citaten eruit. Gobbers plaatste het Biedermeier in de eerste helft van de negentiende eeuw, zoals algemeen gebruikelijk. Ik ben van oordeel dat een latere dichter, Arnold Sauwen, op de overgang van de negentiende en de twintigste eeuw dus, duidelijker de kenmerken ervan vertoont dan vroegere Vlaamse dichters.

 

Biedermeier

Het woord Biedermeier kan gebruikt worden en wordt ook gebruikt enerzijds om een periode in de literatuurgeschiedenis, voornamelijk de Duitse, aan te duiden, en anderzijds om een bepaalde literaire stroming of stijl met misschien vage, maar toch herkenbare kenmerken en eigenschappen aan te duiden. Zoals de meer bekende stromingen die romantiek en realisme zijn bijvoorbeeld, die eveneens vooreerst een tijdperk aanduiden, maar die ook buiten dat tijdperk voorkomen, omdat de kenmerken ervan in elke periode voorkomen.

In de literatuur erover wordt de Biedermeierperiode over het algemeen exact gedateerd: tussen het Congres van Wenen in 1815 en de Europese revolutionaire bewegingen van 1848, dat is dus de Metternichperiode, die op politiek vlak gekenmerkt werd door reactionaire restauratieve tendensen, die bedoeld waren om komaf te maken met de woelige en revolutionaire tijden van de Franse revolutie en de Napoleontische oorlogen.

De aard van die periode duidt ook reeds de kenmerken van het algemenere begrip Biedermeier aan. De romantiek met zijn bevlogenheid, zijn reiken naar het absolute op elk vlak is voorbij, is getemd zal Nemoianu zeggen, hetgeen aanleiding geeft tot melancholie, gespletenheid en sterke gevoelens van resignatie. De kunstenaars trekken zich terug ofwel in hun innerlijk, maar meestal eerder in idyllische, landelijke taferelen en de enge familiekring: kind, ouders, grootouders en de verhouding tussen hen zijn belangrijke thema’s. Ook tevredenheid met het bestaande, neiging tot orde en harmonie en dus natuurlijkheid en eenvoud, gepaard met een vaak cyclische tijdsbeleving, kenmerken deze stijl. Conservatief en (klein)burgerlijk op alle vlakken dus.

Het kind van in de wieg tot de schooltijd

H. J. Scheider, rond 1850

Vandaar ook dat het woord Biedermeier vaak een zeer negatieve connotatie gekregen heeft, als een muffe, saaie, dorre stijl. Dirk Van Bastelaere gebruikt het woord als zodanig in een recente essaybundel.

Arnold Sauwen

Chronologisch gezien behoort de dichter Arnold Sauwen geenszins tot de Biedermeierperiode. Hij werd geboren in 1857, stierf in 1938, en publiceerde tussen 1882 en 1936 zeven dichtbundels en een bundel prozaschetsen. Een belangrijke rol heeft hij in de Nederlandse literatuur niet gespeeld, enerzijds omdat zijn persoonlijkheid eerder gericht was op afzijdigheid en eenzaamheid, anderzijds omdat hij als het ware tussen twee stoelen terechtgekomen is in de literatuur. In Van Nu en Straks, het Vlaamse equivalent van De Nieuwe Gids, heeft hij nooit gepubliceerd, ook al behoort hij chronologisch tot die periode en ook al sluit zijn poëzie eerder daarbij aan dan bij voorgangers of latere generaties. Wel publiceerde hij in de Vlaamsche Dicht- en Kunsthalle, het blad dat als voorloper van het eerstgenoemde beschouwd kan worden.

Het werk en de persoonlijkheid van Sauwen zijn wezenlijk conservatief; vandaar wellicht dat hij officieel nooit aansloot bij de vernieuwing die Van Nu en Straks bracht. Het stedelijke aspect zal hem hebben tegengestaan, en zeker de anarchistische tendensen van de jonge August Vermeylen en diens spitsbroeder Mesnil. Toch zijn in de poëzie van Sauwen kenmerken terug te vinden, die op invloed van die vernieuwingsbeweging wijzen, met name in sonnetten die het Parnasse-ideaal van de objectieve poëzie benaderen, maar met een sterke symbolische inslag.

De invloed van het expressionisme en het modernisme in het algemeen, zoals dat na de eerste wereldoorlog in Vlaanderen optrad, is aan Sauwen absoluut helemaal voorbijgegaan. Zijn prosodie, zijn beeldspraak, heel zijn impliciete poëzieopvatting blijft tot in zijn laatste bundel uit 1936 aan zichzelf gelijk: klassiek, eenvoudig, zonder enige neiging tot experiment, van welke aard dan ook. Dat alleen reeds is een duidelijk Biedermeierkenmerk.

Vergeleken met figuren als Van de Woestijne, Gezelle, Van Ostaijen is Sauwen een dichter van de tweede rang, en terecht. Maar een kleine bloemlezing van het beste uit zijn poëzie zou mijns inziens aantonen dat er, ondanks alle beperktheid, toch enige gedichten in dit werk aanwezig zijn, die er wezen mogen.

 

Sauwen als Biedermeierdichter

Het is niet de bedoeling het werk van Sauwen uitputtend te behandelen onder dit aspect. Ik zal vier hoofdthema’s aansnijden, die als de kern van het Biedermeier kunnen beschouwd worden, en die in overgrote mate in het werk van Sauwen aanwezig zijn, meer dan in dat van zijn voorgangers, in het Zuiden of het Noorden, uit de eerste helft van de 19de eeuw. Waaruit blijken moge dat Sauwen eerder als typische vertegenwoordiger van het Biedermeier moet gelden dan andere, vroegere dichters.

Afwezigheid van politiek

In de bundel Uren van eenzaamheid uit 1920 komt een cyclus ‘Lijdensdagen’ voor, die twintig gedichten bevat. Het is de enige keer in het hele, weliswaar niet omvangrijke oeuvre van Sauwen, dat de politieke actualiteit, i.c. de eerste wereldoorlog, als uitgangspunt dient. Wat daarbij vooral opvalt is de nadruk die gelegd wordt op het verbreken van de harmonie en de orde, waarin de mensen plachten te leven. Dat lijkt voor Sauwen het wezenlijke; de vaderlandslievende snaren die daarbij ook aangeslagen worden klinken weliswaar oprecht, maar ook sterk bombastisch, en vaak sentimenteel. Deze cyclus is geschreven uit plichtsbesef, eerder dan uit innerlijke aandrang.

Want directe politieke thema’s zijn inderdaad quasi volledig afwezig in dit oeuvre. Het is een poëzie die als het ware buiten onze tijd staat – én buiten haar eigen tijd trouwens -, in alle betekenissen van dat woord. Vooreerst: Sauwens wellicht sterkste bundel, De stille delling uit 1912, is opgebouwd in vier naar de seizoenen genoemde cycli. Een der hoofdthema’s niet alleen van die maar van alle bundels, is het leven op het land, in al zijn aspecten. De tijd van Sauwen is de circulaire tijd van agrarische, pre-industriële gemeenschappen, waarin alles telkens weer terugkomt, opnieuw gebeurt. Het spreekt vanzelf dat politiek daarin geen rol kan spelen, want die speelt enkel mee in de lineaire tijd van de industriële gemeenschappen, zeker wat betreft de meer spectaculaire aspecten, zoals opstanden en omwentelingen.

Vandaar het uitzonderlijke karakter van voornoemde cyclus ‘Lijdensdagen’. In de bundel De zingende krekel uit 1928 komen na elkaar de gedichten ‘De Mijnwerkers’ en ‘Landelijk geluk’ voor. Niet alleen is het eerstgenoemde het enige gedicht in Sauwens werk waarin de industriële wereld even aan bod komt, belangrijker nog zijn de omschrijvingen die de dichter in dit gedicht gebruikt: ‘zwarten stofrand’, ‘hunkerend naar lucht en zonne’, ‘sombren kerkernacht’, ‘duistre rotsspelonk’, ‘helsche machten/huizen in der aarde schoot’…Daar staat dan tegenover de orde en de rust van de natuur op het land, de maatschappelijke harmonie die daar in alle opzichten heerst, het Godsvertrouwen ook.

Zelfs wanneer er soms van ‘Vlaamsche helden’ sprake is, zoals in de bundel Gedichten uit 1890, dan behoort dat volledig tot het verleden en bezit geen enkele actualiteitswaarde meer. Van enig opzwepend effect zoals bij Conscience en Ledeganck met zijn Drie Zustersteden is hier absoluut geen sprake: nationaal gevoel en de romantiek daarvan zijn hier inderdaad volledig getemd. Deze Vlaamse leeuwen brullen niet meer, maar geven hoogstens nog pootjes.

Ethische aspecten

Ethica is een veelomvattend begrip, dat de hele wijze aanduidt waarop iemand de wereld, zijn medemensen, zichzelf bekijkt, en of en hoe die persoon vervolgens handelt. Het is dus een aspect van het globale wereldbeeld van een persoon, dat uiteraard ook weer onuitgesproken politieke implicaties heeft.

Zoals het Biedermeier apolitiek wil zijn, zo legt het ook sterk de nadruk op eenvoud en natuurlijkheid. Het volstaat om bij Sauwen de steeds weer terugkerende adjectieven na te gaan om zich ervan te vergewissen hoe sterk dit aspect bij hem aanwezig is. De debuutbundel Langs de Maas uit 1882 vertoont op geen enkele manier enige breuk of verstoring in de indruk van rust, harmonie, innigheid en maatschappelijke orde die opgeroepen worden, vooral door de adjectieven: de tafereeltjes zijn er ‘lief’ en ‘schilderachtig’, de dieren ‘dartel’, de lucht is er meestal ‘blauw’, langs gevels hangen ‘groene wingerdranken’ of dito druivenranken, de lindebomen zijn ‘oud’ en het geheel wordt meestal gekenmerkt als ‘stil’ of ‘rustig’. Het voortdurende terugkomen van deze adjectieven betekent niet alleen een opvallende en uitgesproken taalarmoede, maar vooral een emotioneel ingebed zijn in een ethische en maatschappelijk structuur, die als vast en onwankelbaar ervaren wordt.

De tevredenheid is derhalve vanzelfsprekend, en gevoelens van berusting zijn direct verbonden met gebeurtenissen uit het leven die als even natuurlijk en onherroepelijk aanvaard worden als al de rest: dood van geliefden, ouderdom, ziekte etc. Het spreekt al even vanzelf dat deze gevoelens vooral op latere leeftijd optreden; titels als De laatste garven (1924) of Avondschemer (de laatste bundel, uit 1936) wijzen daarop. In die laatste bundel staat een cyclus van acht sonnetten, ‘Donkere dagen’, die volledig in het teken staan van die berusting: ‘berustend in Gods wil, kalm en gelaten/des levens laatsten avondstond verbeiden’, heet het daar, en: ‘Ik ga met trager gang; mijn stappen naêren/gewijden grond, waar stilte heerscht en vrede./Hier wacht me eens rust, mijn laatste legerstede,/naast allen die me op aarde dierbaar waren.’ De afdeling ‘Elegie’, vijf sonnetten over de dood van zijn vrouw in Uren van eenzaamheid moet hier ook als voorbeeld genoemd worden. Maar ook een gedicht als ‘Verjaren’ uit de vroege bundel Gedichten (1890) staat helemaal in het teken van de resignatie, met zijn herhaling van ‘klaag niet’ en de opgeroepen symbiose van herfst en lente enerzijds, dood en leven anderzijds. Hieruit blijkt ook hoe die berusting rechtstreeks verband houdt met de cyclische beleving van de tijd en het leven: als alles altijd terugkeert is immers geen wezenlijke verbetering of verandering denkbaar.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze neiging tot tevredenheid en berusting regelmatig gepaard gaat met moraliserende opmerkingen, die, in tegenstelling tot vele dichters uit de 19de eeuw, de bekende dominees uit het Noorden bijvoorbeeld, meestal eerder impliciet dan expliciet blijven. Gedichten als ‘De gulden spreuk’ (een expliciete oproep om het landleven in geknechte vrijheid te prefereren boven dienen in de stad) of ‘Verzoeking’ (impliciete oproep tot zichzelf om niet toe te geven aan bepaalde verzoekingen en ze te vergeten) uit De stille delling kunnen daarbij als typische voorbeelden gegeven worden.

Tot de waarden die het Biedermeier daarnaast nog vooropstelt behoren enerzijds de religie en anderzijds het familieleven, beide onontbeerlijk om de gewenste conservatieve maatschappelijke cohesie in stand te houden. Beide aspecten komen doorheen het hele werk van Sauwen voortdurend terug Zo bevat De laatste garven een afdeling ‘Kinderliedjes’; in ‘Vertrapte aren’ (De zingende krekel) wordt het kind direct moraliserend toegesproken: ‘Kind, vertrap niet met uw voet/wat Gods goedheid groeien doet.’ Ook gedichten als ‘Het Avondgebed’ en ‘Oud-moederken’ uit dezelfde bundel behoren tot deze categorie, terwijl vooral in deze bundel ook veel gebruik gemaakt wordt van diminutiva.

Het religieuze aspect treedt zelden echt expliciet en allesoverheersend op de voorgrond; het is eerder een bestendige aanwezigheid op de achtergrond, die weliswaar vaak even genoemd wordt, maar nooit aanleiding geeft tot strijdgedichten zoals die bij sommige, met name katholieke – zoals Sauwen dus – negentiende-eeuwers toch sterk aanwezig waren (Schaepman in het Noorden, Gezelle in het Zuiden). Blijkbaar is ook dit aspect in het wereldbeeld van Sauwen zo vanzelfsprekend dat het geen enkele explicitatie behoeft.

Delen:
Share

Eén reactie

  1. Zeer interessant artikel, bedankt!

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


2 × drie =