Over een negentiende-eeuwse vrijmetselaarssoap, mitsgaders een maçonnieke letterdiefte

| 3 reacties

Er zullen slechts weinigen zijn die Jezuiet en vrijmetselaar, of Duisternis en Licht zullen kunnen of willen lezen. Op de eerste plaats natuurlijk, omdat het een totaal onbekend en totaal onvindbaar boek is dat, door zijn genre, niet tot de echte literatuur behoort. Het behoort nl. tot de zgn. ‘triviaalliteratuur’, het is daarenboven een colportageroman; en het kenschetsende van dit laatste is, dat de afleveringen slechts zeer zelden tot één boek worden samengebonden, maar vaker gewoon worden weggegooid na lezing. Daarenboven is het een kanjer van duizend bladzijden, met verschillende verhaallijnen, die ook nog regelmatig onderbroken worden voor allerlei essayistische uitweidingen. En hedendaagse lezers kunnen nauwelijks nog het geduld voor zo iets opbrengen, te meer daar het boek enkel in negentiende-eeuwse spelling gelezen kan worden, en in het ‘Vlaams’.

Zelf heb ik dat geduld wel, en wat meer is: de negentiende eeuw boeit me hoe langer hoe meer. Ook dit boek heb ik dus met plezier gelezen, ook al behoort het inderdaad helemaal niet tot de zgn. literatuur. Het doelpubliek van de wekelijkse of veertiendaagse afleveringen kan waarschijnlijk niet meer wetenschappelijk, dit is met absolute zekerheid worden vastgesteld, maar me dunkt dat de laagste en de hoogste klassen wel uitgesloten mogen worden; blijven over: van ‘higher lower class’ tot en met ‘higher middle class’, of, zoals men dat vroeger wel stelde, het volk. De enige, mij bekende auteur, met wiens werk dit boek vergeleken kan worden is Eugène Sue (Les mystères de Paris, bv., in het Nederlands vertaald onder de schitterende titel De verborgenheden des volks). Maar als je anderzijds bedenkt, dat qua structuur en vertelwijze deze boeken gemakkelijk kunnen vergeleken worden met Hugo’s bekende Les misérables, kan men zich afvragen waar het verschil ligt tussen ‘hogere’ literatuur en triviaalliteratuur!? Overigens, een laatste, Nederlandse uitloper van dit genre is de allereerste (door het dagblad Het Laatste Nieuws in 1953 in boekvorm uitgegeven) versie van Louis-Paul Boons De bende van Jan de Lichte. Die uitgave bevat overigens ook tekeningen-illustraties, die zo typisch zijn voor het genre.

De stadsbibliotheek van Antwerpen bezit een exemplaar ervan, en de bibliotheek van het Grootoosten der Nederlanden in Den Haag. Dat is alles. Verder is er in de stadsbibliotheek wel nog een boek aanwezig van dezelfde auteur, onder de titel Jezuiet en vrijmetselaar, of:De testamentroovers. Het is hetzelfde boek, d.w.z. de tekst is identiek, maar het is later uitgegeven, door een andere uitgever (Hynderykx in Brussel) en het bevat de zo typische illustraties (die mijn uitgave jammer genoeg niet bevat). Daarenboven blijkt uit dit boek veel duidelijker dat het bestaat uit samengebonden wekelijkse afleveringen, die blijkbaar elke dinsdag verschenen, vanaf 24 april 1906 tot en met nummer 55 op 7 mei 1907. Meer dan een jaar spannend leesgenot dus.

Want inderdaad, de structuur van het geheel is zodanig, dat op het einde van elke aflevering een spanning wordt opgebouwd (hoe zal dat aflopen? zullen de slechten in hun opzet slagen? zullen ze erin slagen zich uit hun netelige positie te bevrijden? enz.), die de lezer ertoe noopt met evenveel spanning op de volgende aflevering te wachten. Daarbij treden verschillende intriges door elkaar op, maar die wel met elkaar verweven worden uiteraard, om tenslotte uit te monden in het ‘eind goed al goed’, waar het boek ook effectief mee eindigt. Tussendoor hebben we de halve wereld afgezworven: heel Europa, maar toch vooral Oostenrijk en Duitsland, daarnaast Egypte en Italië, met name Rome en Sicilië, en op het einde ook nog de Verenigde Staten, waar net een burgeroorlog aan de gang is. De figuren, die optreden behoren tot slechts twee categorieën – zoals het in ‘volksromans’ – zo kun je dit genre ook noemen – past: de goeden en de slechten, zoals ook de titel zelf al duidelijk te kennen gaf.

En inderdaad: de slechten zijn de Jezuïeten en hun handlangers, die de goede protagonisten op alle mogelijke en schurkachtige manieren in hun macht proberen te krijgen, en als dat niet lukt hen uit te schakelen, desnoods fysiek. Er is mij geen boek bekend, waarin de Jezuïeten in een zo negatief daglicht worden gesteld. Daartoe worden zelfs bladzijden lang uittreksels uit moraalfilosofische geschriften van Jezuïeten aangehaald om dat te bewijzen. Of dat klopt ben ik niet nagegaan. Daar tegenover staan dan de goeden: de vrijmetselaars en hun vrienden, die de vooruitgang en de menslievendheid vertegenwoordigen. Ook over de vrijmetselarij worden uitgebreide essayistische uitweidingen ingelast: daarvan kan ik zonder moeite zeggen, dat ze wel degelijk kloppen, en bewijzen dat de auteur over een uitgebreide en diepgaande kennis van de vrijmetselarij moet beschikt hebben. Doorheen deze tegenstelling komt ook altijd weer een tweede doorschemeren: die tussen de (slechte) katholieken en de (goede) protestanten. Die tegenstelling valt grotendeels samen met de hoofdtegenstelling (zoals in de titel aanwezig), maar toch niet helemaal, want af en toe is er eens een goede katholieke priester (die dan wel vrijmetselaar is uiteraard, en niet naar Rome luistert), en een der hoofdpersonen is een joodse bankier (die uiteindelijk door Garibaldi zelve in de orde wordt binnengebracht).

Zonder dat het gezegd wordt komen overigens, als het over vrijmetselarij gaat, soms ganse passages voor, die zo uit een negentiende-eeuws rituaal gelicht hadden kunnen zijn, die in elk geval nu nog volledig herkenbaar zijn voor elke ingewijde, of voor eenieder die de moeite wil doen de betreffende ritualen op te zoeken.

Naast die, wat je zou kunnen noemen ideologische essayistische uitweidingen, komen er ook veel andere voor, die veel minder gekleurd zijn, en eigenlijk zo uit een encyclopedie geplukt zouden kunnen zijn: de steden en de plaatsen, waar het verhaal zich afspeelt worden altijd tamelijk uitvoerig toegelicht, zowel wat de geschiedenis van de plaats in kwestie als de geografie ervan betreft, waarbij vooral ook de toeristische bezienswaardigheden niet vergeten worden: zodoende konden de lezers van de afleveringen zich tenminste in hun verbeelding daar naartoe verplaatsen, want dat ze dat ook in werkelijkheid zouden hebben kunnen doen is hoogst onwaarschijnlijk. Andere uitweidingen betreffen veldslagen uit die tijd, met name die bij Magenta en Solferino, gebouwen (vb. de Engelenburcht in Rome), politieke gebeurtenissen (het Jonge Italië, en met name de bij lijve in de roman optredende figuur van Garibaldi), het verschil tussen vrijmetselarij en de politieke, maar op maçonnieke leest geschoeide groepering van de Carbonari etc.

Dit nuttige en pedagogische karakter van de uitweidingen in het boek past natuurlijk bij het feit dat de auteur vrijmetselaar was (zie verder) en zichzelf een volksopvoedende rol toebedeelde. En het moet gezegd: de essayistische stukken overheersen zeker niet, komen op tijd om de snelle gang van het verhaal even te onderbreken, en ik kan mij indenken, dat zij bij het negentiende-eeuwse, weinig geschoolde publiek, dat de wekelijkse afleveringen van dit werk las, inderdaad hun doel bereikten. Iemand uit de lagere volksklassen die toen las, zal zeker een grote honger naar kennis gehad hebben, en zal die uitweidingen dus zeker niet hebben overgeslagen, zoals nu waarschijnlijk gebeuren zou.

Het volkse karakter van dit soort boeken blijkt ook uit de stijl, die in de verhalende passages vaak effenaf pathetisch wordt, en als het over de liefde gaat effenaf sentimenteel. Daar komen dan nog elementen uit de grafromantiek bij: zo baart een tot zonde verleide jongedame haar kind in een grafkelder, spelen gehele passages zich af in de catacomben van Rome, of op afgelegen kastelen, terwijl in de laatste gedeelten ook Roodhuiden optreden (die nota bene een eigen vrijmetselarij hebben gesticht –daarvan is mij overigens in de werkelijkheid niets bekend, en heb ik ook niets teruggevonden) en de roman op een cowboyverhaal begint te lijken. Dat alle valstrikken uiteindelijk ofwel vermeden worden ofwel verijdeld, ofwel opgelost, en dat de goeden – vaak dankzij de ‘broeders’ die zij toevallig ontmoeten – altijd weer uit alle hachelijke situaties bevrijd worden, ligt voor de hand: de deus ex machina is een van de funderende stijlprincipes van dit genre, en hij komt dan ook voortdurend terug.

Nog voor ik een letter van het boek gelezen had, probeerde ik te achterhalen wie de auteur, M. Dumont-Castelli, zou kunnen geweest zijn. In Wolfstieg kwam hij niet voor, maar in andere bibliografieën en naslagwerken evenmin. Enkel de reeds vernoemde exemplaren in de Antwerpse stadsbibliotheek, plus nog een Franstalig werk van zijn hand in de Albertina in Brussel (Palais et couvent, ou la lettre de l’exilé pour l’honneur et la vie heet die, eveneens geïllustreerde kanjer van bijna 1200 bladzijden, uitgegeven in Brussel bij een S. A. Dancker, zonder datum; deze uitgave heb ik niet opgevraagd en nagekeken) heb ik terug kunnen vinden. Over de auteur: niks, nihil, nada. Het was alsof hij niet bestond, nooit bestaan had zelfs.

Dom van mij natuurlijk, want dat laatste bleek uiteindelijk te kloppen. Enkele tientallen pagina’s lectuur waren voldoende om mij ervan te overtuigen, dat de auteur van deze roman geen Nederlandstalige was, maar dat het boek vertaald was uit het Duits: ‘daadzaak’, ‘bestatigen’, ‘bereids’, ‘richtig’, ‘vaardig’ zijn zuivere germanismen, die, samen met nog andere, het hele boek door voorkomen. Maar er is, als het over vrijmetselaren en hun religie gaat, ook steeds sprake van de ‘allerhoogste Bouwmeester aller Werelden’, hetgeen de letterlijke vertaling is van de Duitse formule ‘Allmächtiger Bauherr aller Welten’. Geen enkele Nederlandstalige vrijmetselaar gebruikt die formule, of heeft ze ooit gebruikt; hier heet dat de ‘Opperbouwmeester van het Heelal’.

Daar kwam ook nog bij, dat het boek zich vanaf het begin vooral in het Oostenrijkse Keizerrijk, en met name in Wenen afspeelde, en dat de auteur blijkbaar een grondige kennis had van die staat en die stad, hun kenmerken, geplogenheden etc. Dan was het natuurlijk niet meer zo moeilijk: de titel in het Duits vertalen, geheel en/of gedeeltelijk, en dan nazien in de op het web vindbare catalogi van in aanmerking komende bibliotheken, of op ‘google’ loslaten.

De auteur bleek éne Arthur Storch te zijn, bekend auteur van colportageromans in het negentiende-eeuwse Oostenrijk, en inderdaad zelf vrijmetselaar. Het boek is de vertaling van Die Geheimnisvollen, oder Freimaurer und Jesuit, in 1869 in Pest (de helft van Budapest inderdaad) verschenen. Van de titel werd echter slechts de helft overgenomen, de andere helft van de Nederlandse titel komt van Licht und Finsterniss, oder die Geheimnisse der Wiener Hofburg, eveneens in Pest verschenen, in 1872.

Het lijkt me duidelijk waarom de titel een beetje veranderd werd, of beter: waarom twee helften van twee verschillende titels gecombineerd werden. Enerzijds natuurlijk omdat die helften zo goed bij elkaar pasten, maar op de eerste plaats, vrees ik, om op een klunzige en eigenlijk tot mislukken gedoemde manier, een geval van plagiaat te verdoezelen. Vandaar ook de onbestaande auteursnaam (waarin misschien de vertaler verborgen zou kunnen zitten: een Vandenberghe? een Vande Kasteele? of iets dergelijks? hoe kom je daar achter?) Storch is gestorven in 1892, toen de Brusselse uitgave verscheen was hij dus zeker al dood, wellicht ook al bij het verschijnen van de Antwerpse. Hoe het toen met de juridische regeling van auteursrechten zat, weet ik niet, maar het lijkt me alles behalve waarschijnlijk dat men toen zomaar, zonder vermelding van de oorspronkelijke auteur en uitgever, boeken kon vertalen, uitgeven, als eigen uitgaven verspreiden, en verder doen alsof er niks aan de hand was. Een geval van zuiver plagiaat, dat lijkt me wel duidelijk. Maar gelet op de aard van de uitgave (losse afleveringen) en de moeilijke communicatie in die tijd, was de kans dat dit ontdekt zou worden inderdaad erg klein. Het heeft tot 2005 geduurd, zelfs.

Maar er valt nog iets te zeggen over die Arthur Storch. Het is het pseudoniem van Franz Julius Schneeberger, die erg aktief was in de Weense revolutie van 1848, en later als ingenieur werkte. Nog later wijdde hij zich vooral aan de letteren. Maar ook als maçon was hij erg actief, op de eerste plaats door in Wenen de vereniging ‘Humanitas’ te stichten, die enkel uit vrijmetselaars bestond, maar niet aan rituele maçonnieke arbeid deed (dat was in het eigenlijke Oostenrijk verboden), maar zich uitsluitend toelegde op liefdadigheid, o.m. door de stichting van het allereerste Oostenrijkse kindertehuis, dat eveneens Humanitas heette en tot 1931 bestaan bleef.

In Hongarije was de vrijmetselarij als zodanig wel toegelaten, en Schneeberger was stichter of medestichter van enkele zgn. ‘grensloges’, met name in het toenmalige Ödenburg (huidige Sopron), waarvan de bedoeling ook was invloed uit te oefenen op het bestuur in Wenen om de vrijmetselarij opnieuw vrij te laten werken. Ook anderszins was hij als vrijmetselaar actief, o.m. in de maçonnieke pers. Maar het avontuurlijke en dubbelzinnige dat in zijn avontuurlijke boeken zo sterk aanwezig is, moet ook deel uitgemaakt hebben van het karakter van de persoon zelf. Immers, het aan hem gewijde lemma in Lennhoff/Pozner besluit als volgt:

“Die Eröffnung der österreichischen Polizeiarchive nach dem Weltkrieg (bedoeld is de eerste wereldoorlog = PB) hat dann allerdings sein Bild getrübt. Es hat sich herausgestellt, dass Schneeberger der Behörde laufende Berichte über die österreichische Logentätigkeit lieferte.”

Ach, is men geneigd te denken, het is allemaal zo lang geleden. Maar toch, fraai is het niet, en het zet toch wel tot nadenken aan over de motivaties van sommige activisten- vandaag de dag natuurlijk vooral om niet te zeggen uitsluitend in de (rand)politiek. In de loges zijn, bij mijn weten althans, de geheime diensten van West-Europa (daar reken ik Engeland niet bij) niet meer geïnteresseerd.

De Nederlandstalige uitgave van het boek verscheen dus op het einde van de negentiende c.q. het begin van de twintigste eeuw, eerst in Antwerpen, vervolgens nog eens in Brussel. Brussel was toen al een echte grootstad, die daarenboven erg liberaal was, en bestuurd werd door burgemeesters, die bijna altijd vrijmetselaar waren. Het was daar dus geenszins gevaarlijk om een boek als Jezuïet en vrijmetselaar, of duisternis en licht uit te geven.

Heel anders was het uiteraard gesteld in Vlaanderen: dat was door en door katholiek, en het was zeker onmogelijk een dergelijke roman, al dan niet in afleveringen, op het platteland, of in kleine steden aan de man te brengen. De firma die dat zou wagen, zou al snel vanaf alle kansels alle banbliksems over zich heen krijgen, en na verloop van niet al te lange tijd de boeken kunnen neerleggen.

Zou het in grotere steden als Gent of Antwerpen anders zijn geweest? Zou een dergelijk door en door antikatholiek boek, dat over die duivelse vrijmetselarij alleen maar goeds te vertellen had, daar wel kunnen verschijnen? Het lijkt me dat het nog eerder in het socialistische Gent gekund had moeten hebben dan in het katholieke Antwerpen. En toch verscheen het in deze stad, waar de jezuïeten nota bene heel veel in de pap te brokken hadden. Men kan slechts zeggen dat het in het toenmalige Vlaanderen, zelfs in een stad als Antwerpen, van heel veel moed getuigde om een dergelijke roman op de markt te brengen. Wie die firma Reynaert-Corewyn, Orangestraat 4, geweest is, weet ik niet. Het zou best kunnen dat het een fictieve firma geweest is, zoals de naam van de auteur. Misschien dat iemand zich geroepen voelt om een poging te wagen dat te achterhalen?

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

3 reacties

  1. Op een rommelmarkt heb ik een kopie van het boek gevonden. De titel sprak me meteen aan, ten eerste omdat ik een Antwerpenaar ben (=> jezuïeten!!), maar ook omdat ik als dwaze jongeling nogal met vrijmetselarij en geheime sekten dweepte. Een biografie van Blaise Pascal heeft me inhoudelijk “ingewijd” in de strijd tussen de jansenisten en de jezuïeten, in de 17e eeuw.

    In het verleden heb ik inderdaad Les Misérables gelezen, de integrale Franse versie. Ook van Joris-Karl Huysmans heb ik een paar boeken gelezen, die zelfverklaarde katholieke bekeerling, wiens boeken door de Kerk (net niet) in de ban geslagen werden.

    Met die achtergrond begin ik binnenkort aan dit boek, men houde deze kolommen in de gaten.

  2. De drukkerij Reynaert-Corewyn heeft wel degelijk bestaan, en wel van 1888 tot 1914. Naast volksromans drukte ze ook o.a. affiches, tijdschriften en brochures.
    Bron: “De Antwerpse Drukkerijen 1794-1914” in “De Gulden Passer”, 1966, p. 154.

  3. Hartelijk bedankt, Boris!

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


zeventien − twee =