Lezen als Leus, of: hoe men zeker niet lezen moet

| Geen reacties

BoonIn het recentste nummer van het Boontijdschrift Boelvaar Poef stond een voorpublicatie uit het voor 2006 aangekondigde tweede deel van Weverberghs ‘mémoires’. In die voorpublicatie heeft hij het uitgebreid over Herwig Leus (onzaliger gedachtenis, ben ik geneigd eraan toe te voegen).

Zo verwijst hij naar een bijdrage van Leus in Het Laatste Nieuws, die me nieuwsgierig genoeg maakte om het betreffende artikel, bij een bezoek aan de Stadsbibliotheek, even te fotokopiëren en grondig na te lezen.

Het stuk over een van de bronnen van vooral de vorm, maar ook een beetje de stijl en de inhoud van Boons beroemde tweeluik De Kapellekensbaan-Zomer te Ter-Muren interesseert me hier niet – al was het maar omdat ik het er bijna volledig eens mee ben. Maar over Boons kleine roman Niets gaat ten onder schrijft Leus het volgende:

Constructa staat immers symbool voor het ontstaan en de groei van het christendom, de Kaalkop voor Johannes de Doper, de vier vennoten voor de vier evangelisten, Henry voor Jezus Christus (Henry is een woordspeling op de kruisinscriptie Inri), en Frans Ghoedels is de verpersoonlijking van de apostel Paulus die als geen andere aan het christendom vorm heeft gegeven (in de slotzin van het boek wordt Ghoedels met een verwijzing naar de Kerk met de bijnaam ‘de Kurk’ bedacht).

Ook de drie vrouwelijke romanfiguren verwijzen naar de Bijbel en het christendom: Agnes verzinnebeeldt de Maagd Maria, en de beide meisjes Eva en Margaret zijn literaire herscheppingen van de oermythe van Eva en Lilith. In de alleroudste versie van de Bijbel had de polygame Adam immers twee vrouwen, een brave huisvrouw voor overdag, Eva, en een sensuele voor ’s nachts, Lilith. Omwille van haar erotische geaardheid werd Lilith in latere versies van de Bijbel veranderd in een (duivelse) slang. De moord van Ghoedels op Margaret is hiervan de symbolische blauwdruk. (1)

Zelden heb ik in enkele paragrafen zoveel onzin en onjuistheden bij elkaar gelezen.

De onjuistheden hebben betrekking op de bijbel. Daarin komt op één enkel ogenblik de figuur van Lilith voor, Jesaja 34:14, in een context die niets met het verhaal van Adam te maken heeft, dus niet in een ‘vroege’, niet in een ‘late’ versie van de bijbel. Zulke bijbelversies bestaan trouwens gewoonweg niet. De figuur van Lilith komt voor in de Joodse commentaren op de Thora (de eerste vijf bijbelboeken, toegeschreven aan Moses, die de basisteksten vormen van de Joodse godsdienst), de Talmoed en de Midrasj: daar betreft het interpretaties van het scheppingsverhaal.

Tot daar aan toe. Maar ook de roman zelf heeft niets met dat bijbelverhaal of met het christendom te maken, tenzij van verre en zeer onrechtstreeks. Reeds vanaf de introductie van de hoofdfiguur Frans Ghoedels, is het duidelijk dat het hoofdthema van de roman is: ontspoorde seksualiteit en de onmogelijkheid om intermenselijke contacten aan te knopen, seksuele of andere. Daarrond, en enkel daarrond draait het hele inwendige leven van deze Ghoedels en de hele roman.

Dat deze Ghoedels overeen zou stemmen met de apostel Paulus is mijns inziens volledig bij de haren gegrepen. De enige overeenkomst tussen de twee figuren zou desnoods de gefrustreerde seksualiteit kunnen zijn, omdat het Paulus is die altijd als schuldige wordt aangewezen voor de totaal verknipte seksualiteitsbeleving van de katholieke (en later ook veel andere christelijke kerken, zij het in mindere mate). Maar niet alleen is die bewering al onjuist, want mensen als Augustinus en misschien vooral Tertullianus en Origines zijn daar veel meer debet aan dan Paulus; in de aan hem toegeschreven geschriften is daar eigenlijk nauwelijks iets van te vinden.

Maar de figuur van Paulus, zoals die uit de kerkgeschiedenis en de bijbel naar voren komt is het exacte tegendeel van de romanfiguur Frans Ghoedels: sterk, wilskrachtig, zelfbewust, onafhankelijk, een goed en zelfstandig organisator. Je zou dan nog kunnen stellen, dat Ghoedels een tegenontwerp is, dat hij a.h.w. geschapen is om de ware aard van Paulus te vertegenwoordigen. Maar wat is die ‘ware’ aard dan, hoe kun je die ontdekken, hoe blijkt uit de tekst dat het inderdaad daarover gaat? Immers, je moet toch minstens een aanwijzing in de tekst vinden. Welnu, in het hele boek is op geen enkel ogenblik ook maar enige aanwijzing aanwezig dat Ghoedels in feite voor Paulus zou staan.

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor alle andere figuren in het boek, waar Leus van zegt dat ze de een of andere bijbelse persoon vertegenwoordigen. De Kaalkop bijvoorbeeld, die Johannes de Doper zou zijn. Van deze laatste is amper iets geweten: dat hij doopte en predikte, dat hij ook Jezus doopte, dat hij onder Herodes gevangen werd gezet, en dat Herodes’ dochter Salomé zijn hoofd eiste en kreeg. Wie zou dan Herodes zijn in de roman, wie Salomé, welke gebeurtenis in de roman symboliseert dan de dood van Johannes de Doper? De afzetting van de Kaalkop uit zijn functie, nadat hij betrapt werd op diefstal? Nogmaals: niets, maar absoluut niets in de tekst wijst daarop.

Details: dat de naam ‘Henry’ klinkt als ‘Inri’, dat de bijnaam ‘de Kurk’ klinkt als ‘de Kerk’, en daaruit dan zo’n verregaande conclusies trekken, die verder door niets, maar dan ook werkelijk door niets ondersteund worden, het is gewoon te belachelijk om los te lopen.

En wat het christendom in het boek betreft vraag je je eigenlijk eerder af hoe het mogelijk is dat het niet veel sterker en uitdrukkelijker voorkomt in het boek. Dat laatste heeft immers gefrustreerde menselijke verhoudingen tot onderwerp, op de eerste plaats seksuele, en het speelt zich af in het Vlaanderen van de jaren vijftig, dat nog oerkatholiek was, met alle gevolgen van dien. In het boek is het christendom eigenlijk slechts decorum, dat niet of nauwelijks opvalt, dat door kleine details aanwezig is, maar anders niet: op p. 19 krijgen Ghoedels en Agnes een crucifix als huwelijksgeschenk (zonder dat de vertelinstantie er enige commentaar bij geeft), op p. 47 wordt van de Kaalkop gezegd, dat hij glimlacht ‘als een monnik’, op p. 57 wordt de bijbelse uitdrukking ‘tranendal’ gebruikt, op p. 77 draagt meneer Germain (de verwijfde boekhouder, toeverlaat en steun van Henry; wie zou deze dan zijn? Maria Magdalena? als nicht?) expliciet een kruisje, op p. 81 wordt gezegd dat ‘de naakte Christus op hen neerkeek’. Zo zijn er nog wel voorbeelden te vinden, die inderdaad meehelpen een sfeer te schetsen van hypocrisie, die zo typisch was voor het toenmalige katholicisme hier te lande. Maar gaat deze roman daarom over het christendom? Nauwelijks toch, en zeker nooit direct. Tenzij je hem weer als tegenontwerp zou interpreteren: wat het christendom vooropstelt, beste lezers, dat weten we allemaal, dat hoeft niet in het boek; daarin komen enkel de wereld, de mensen en hun onderlinge verhoudingen voor zoals ze echt zijn: een jungle, een oerwoud waarin iedereen iedereen verscheurt en afmaakt.

Die interpretatie is alleszins gerechtvaardigd, dunkt me. Maar nogmaals: om verder dan dit te gaan, om de firma Constructa te vereenzelvigen met het christendom of de kerk, en de romanfiguren met bijbelse figuren, daarvoor biedt de tekst geen enkele houvast. Ook al kun je inderdaad, vertrekkende van wat Leus vooropstelt, details gaan zoeken en vinden, die dat zouden moeten ondersteunen. Zo kun je de zgn. onvervangbaarheid van Henry interpreteren als de onvervangbaarheid van Christus, het feit dat Henry de firma heeft opgebouwd en dat die hoe dan ook met zijn persoon verbonden blijft, als tekenend voor de rol van Christus in de Kerk, het bedrog van de aandeelhouders (p. 75) kun je interpreteren als het ‘bedrog’ van de evangelisten (en van de kerkvaders, en van de hele kerk als organisatie uiteindelijk), de beheerraad op p. 50 als een concilie (maar welk? dat van Nicea zekers?), de strijd tussen Henry en Agnes (die Maria zou zijn – p. 79) als een strijd om wie het belangrijkst is in de kerk, enzoverder enzovoort. Er zijn nog heel wat meer details die met de nodige slechte wil zo geïnterpreteerd kunnen worden. Waarbij altijd, en steeds weer opvalt dat de tekst van het boek geen enkele echte hint geeft op basis waarvan je die interpretaties kunt steunen. Het is in de meest letterlijke zin van het woord: naar binnen lezen, hineininterpretieren, iets dat met de tekst niets te maken heeft aan de tekst opdringen.

Een tegengestelde hint geeft de vertelinstantie overigens wel: op pagina 96-97 wordt tot twee maal toe expliciet gezegd dat het ‘niet om godsdienst’ gaat; dat gebeurt weliswaar in een bepaalde context van discussies over Constructa, maar het feit dat de verhoudingen tussen de figuren van het boek als het belangrijkste worden aangemerkt, wijst er mijns inziens toch uiterst sterk op, dat dit inderdaad het hoofdthema van het boek is, en niets anders; zoals ik in het begin al zei.

0000

Als dit stukje van Leus één zaak leert dan wel dit: zo moet je een roman of een andere tekst zeker niet lezen. Iedereen die een beetje op de hoogte is weet wat een papenvreter Leus was, hoe diep zijn haat tegen alles wat naar katholicisme in het bijzonder en christendom in het algemeen rook, zat. Leus heeft zich hier duidelijk laten meeslepen door zijn eigen vooroordelen, die hij gewoon in Boons boek binnen gelezen heeft, zonder zich om de tekst te bekommeren. En wie Boon een beetje gekend heeft (direct of indirect) kan zich goed voorstellen dat Leus met deze ‘ontdekking’ bij Boon kwam aankloppen, en dat die laatste hem een schouderklop gaf, beweerde dat hij de enige was die zijn werk echt begrepen en gelezen had, waarna een glas et cetera. Leus blij en enkele paragrafen onzin erbij. Alleen, zo zal een slimmerik opmerken: Leus’ stuk dateert uit 1991. Boon was toen al lang dood en begraven. Zou Leus zijn zogenaamde ‘ontdekking’ zo lang in portefeuille hebben gehouden? Bijna ondenkbaar, want er is geen reden voor. Of hebben we hier met een enigszins aparte, literaire vorm van ‘dementia praecox’ te maken?

Op het einde van zijn krantenstuk vaart Leus nog even uit tegen de academici, die het voor de hand liggende weer eens niet zouden hebben opgemerkt. Voor Mandineke/Ondineke klopt dat mijns inziens, maar dat zij de onzin die Leus debiteert over Niets gaat ten onder nooit ‘gezien’ hebben pleit enkel maar voor die academici (die wellicht toch wel eerst even nadenken en een tekst lezen vooraleer zich te vergalopperen).

Maar er zijn natuurlijk ook andere academici: zo wordt onder de hoofding ‘leerdoelen’ o.m. het volgende vooropgesteld bij de cursus ‘Inleiding tot de algemene literatuurwetenschap’ zoals die aan de VUB door Bart Vervaeck gedoceerd wordt:

Ten tweede wil dit college duidelijk maken dat het onmogelijk is een (literaire) tekst te lezen zonder een theorie. Ook de mensen die menen dat zij ‘gewoon lezen wat er staat’, vertrekken vanuit een theorie.

Nog onafgezien van de betekenis die in de context van dit citaat gegeven moet worden aan de woorden ‘literaire’, ‘tekst’ en ‘theorie’ (waar je alleen al boeken over kunt volschrijven en vele uren vullen), spreekt het mijns inziens zo vanzelf dat je wel degelijk eerst moet lezen wat er staat, dat ik deze bewering van Vervaeck gewoon niet begrijp. Als je niet begint (inderdaad: begint) met de woorden, de zinnen, de paragrafen, de tekst te lezen die voor je ligt en waar je het over hebben wil, dan kun je toch niets anders doen dan iets anders te lezen, dan te lezen wat er niet staat? ! Hetgeen – Nijhoff even buiten beschouwing gelaten – neerkomt op: je eigen vooroordelen, neutraler: je eigen theoretische of andere uitgangspunten in de tekst binnenlezen? Hineininterpretieren kortom?

In het beste geval kun je dan misschien iets zinvols zeggen, inderdaad. Maar bijna altijd zul je terecht komen bij onzin zoals het bovenstaande van Leus. Een methode en haar resultaten die door sommige verblinde academici blijkbaar van een ‘nihil obstat’ wordt voorzien.

Voor mij niet gelaten. Maar voor mezelf blijf ik erbij: eerst en voor alles komt de tekst, die je grondig moet lezen, zonder theoretische of andere vooroordelen, maar uiteraard wel met heel de bagage die je al dan niet hebt meegekregen. Daarna, en enkel daarna kan de rest volgen, gebaseerd steeds op die grondige lectuur.

Zoals Willy Roggeman, terugblikkend op zijn studententijd en Herman Uyttersprot (Prof. Dr. Spothuysen) ooit over deze laatste stelde, dat hij op zo’n indringende manier vragen kon: “Haben Sie gelesen? Wirklich gelesen?”(2) , zo kun je je evenzeer de vraag stellen of dergelijke academici vandaag de dag nog bestaan. Hetgeen uiteraard ook weer niet betekent dat ze daarom allemaal Prof. Dr. Pascalius Prostituaan moeten heten.

(1): Herwig Leus: “Hoe Mandineke Ondineke werd”, in: Het Laatste Nieuws, De Weekendkrant/Boeken, zaterdag 6 en zondag 7 april 1991, p. 71.
(2): Ik citeer dit uit het geheugen.

Bron foto:  http://www.dbnl.org/

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


acht + elf =