Ab Caransa: Vrijmetselarij en Jodendom

| Geen reacties

Boekbespreking: Ab Caransa: Vrijmetselarij en Jodendom. De wereld een tempel. Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2001, 239 pp. (Uitgegeven in samenwerking met de maçonnieke Stichting Fama Fraternitatis).

Vrijmetselarij en JodendomHet onderwerp dat broeder Caransa in deze studie aansnijdt is rijk aan aspecten en kan genoeg stof leveren voor meerdere boeken. Maar in hetgeen over dit onderwerp reeds verschenen is lag de nadruk meestal op de band tussen antisemitisme enerzijds en anti-maçonnerie anderzijds. Zijn opzet is enerzijds breder, in die zin dat hij ook de positieve banden tussen jodendom en vrijmetselarij in het licht probeert te stellen, anderzijds beperkter doordat hij mijns inziens te zeer aan de oppervlakte blijft, hetgeen me te wijten lijkt aan het feit dat hij te veel in zijn boek wil stoppen.

Vooraleer zijn eigenlijk onderwerp aan te vatten poogt de auteur in zijn inleiding een definitie te geven van wat hij verstaat onder vrijmetselarij en onder jodendom. Vooral bij zijn definitie van dit laatste begrip heb ik nogal wat vragen, die eigenlijk allemaal cirkelen rond het begrip ‘volk’. Dit is waarschijnlijk een van de vaagste en daardoor meest misbruikte begrippen uit de menselijke taal. Ik beschouw het jodendom als een godsdienst zonder meer, omdat ik van oordeel ben zodoende zo objectief mogelijk te zijn en alle subjectivistische elementen uit te schakelen; ook al weet ik dat ik daarmee velen tegen de haren instrijk. Maar de eerlijkheid gebiedt mij ook te zeggen dat Caransa’s standpunt eigenlijk weinig invloed heeft op de intrinsieke waarde of juistheid van zijn onderzoek, zijn stellingen en zijn boek als geheel.

De eerste twee hoofdstukken van Caransas werk zijn gewijd aan de verhouding tussen joden en vrijmetselaars in Duitsland, en daarbij steunt hij naar eigen zeggen grotendeels op het bekende werk Jews and Freemasons in Europe van Jacob Katz. Terecht, denk ik, want dat boek van Katz is nog steeds het beste dat over dit probleem geschreven is. Toch beperkt Caransa zich allesbehalve tot het louter afschrijven of samenvatten van Katz. Integendeel, hij brengt de gegevens van Katz in samenhang met het fenomeen van de ‘Haskala’, een joodse verlichtingsbeweging, geïnitieerd door de bekende vriend van broeder Lessing, Moses Mendelssohn, en hij gaat iets dieper dan Katz in op de nefaste rol die de zgn. ‘Protocollen van de wijzen van Zion’ gespeeld hebben in het Europese antisemitisme, terwijl hij ook een typische reactie op dat antisemitisme bespreekt, nl. de paramaçonnieke vereniging B’nai B’rith. Maar mijns inziens had de auteur iets dieper daarop in moeten gaan. Nu laat hij twijfel bestaan over het feit of we hier al dan niet met een vrijmetselaarsorganisatie te doen hebben. Caransa had daar stelling moeten kiezen en die stelling beargumenteren, meen ik. Overigens, volgens mij persoonlijk is B’nai B’rith géén vrijmetselaarsorganisatie, ook al nam zij bepaalde uiterlijke kentekenen ervan over.

Het derde hoofdstuk handelt uitsluitend over het fenomeen van de reeds genoemde ‘Haskala’. Bedoeling van deze beweging – die heel wat parallellen vertoont, zo dunkt me, met onze verlichting; ook chronologisch lopen ze trouwens grotendeels samen – was het vergemakkelijken van “de integratie van joden in de geleidelijk moderner wordende samenleving” (p. 61) Een dergelijke beweging roept natuurlijk het fenomeen op van de grenzen van emancipatie en integratie enerzijds, en van assimilatie anderzijds. Het is hetzelfde probleem als we tegenkwamen met het begrip ‘volk’. Als iemand van joodse afkomst is, maar totaal geassimileerd aan zijn omgeving, overgegaan tot een andere godsdienst bijvoorbeeld (ik denk aan Edith Stein) of totaal ongodsdienstig en atheïstisch geworden is, is die iemand dan nog een jood? Voor 1933 zouden velen die in zo’n geval verkeerden direct ‘nee’ geantwoord hebben. Slechts onder invloed van de nazi’s is ook bij hen iets ontstaan dat we een ‘joodse identiteit’ kunnen noemen. Waarbij we opnieuw in de subjectivistische vaagheden terechtkomen. Ab Caransa vermijdt deze vaagheden, maar op een oneigenlijke manier: hij ziet deze problematiek amper onder ogen, en gaat er dus ook helemaal niet op in.

De hoofdstukken vier tot en met zes zijn, voor zover ik het kan beoordelen, nieuw in de bestaande literatuur over het onderwerp, want hierin wordt de verhouding tussen beide groepen geschetst zoals die in Nederland bestond en groeide. Wat mij daarin vooral opvalt zijn de overeenkomsten en verschillen met de toestand terzake in Duitsland, zoals die voorheen in het boek geschetst werd. De houding van de vrijmetselarij tegenover de joden liep parallel met die in Duitsland, maar ging veel minder ver, zo zou je het kunnen stellen. Joden werden vaak ook geweigerd, en in 1801 lag een voorstel ter stemming in het Grootoosten der Nederlanden om joden en mohammedanen voortaan de toegang tot de loges effenaf en zonder meer te weigeren (p. 76). Maar in tegenstelling tot Duitsland, waar dat zeker in de ‘christelijke’ obediënties de algemene regel was, werd dit voorstel niet aanvaard. En ondanks de moeilijkheden die sommige loges nog tot een stuk in de 19de eeuw bleven maken, verliep de verhouding tussen joden en vrijmetselaars in Nederland toch beduidend soepeler.

Een fenomeen dat mij onbekend was en waar mijns inziens wel eens een uitgebreider studie aan gewijd mag worden is dat van de zgn. ‘passanten’: profanen, meestal Duitse joden, die in Nederlandse loges ingewijd werden omdat zij in Duitsland geweigerd werden, maar die zodoende toch in de gelegenheid werden gesteld om in Duitsland loges te bezoeken (bezoekrecht voor joodse broeders was er immers in de meeste obediënties wel).

Sommige details die Caransa aanhaalt lijken me ook interessant, èn actueel, ook hic et nunc bij ons. Op pagina 79 vermeldt hij het probleem van de kosjere maaltijden. Joodse en zeker moslimbroeders zouden daar bij ons evenzeer moeilijkheden mee kunnen hebben.

Naarmate de jaren dertig vorderden trad echter een ander probleem op: moet de orde als zodanig naar buiten treden door positie te kiezen in actuele politieke problemen of niet? Ofschoon hij het nooit expliciet zegt blijkt toch dat broeder Caransa zelf blijkbaar positief staat daartegenover. Zo haalt hij het protest van het Belgische Grootoosten uit 1933 tegen de jodenvervolgingen als positief voorbeeld aan (p. 141). Het Grootoosten der Nederlanden zelf was daar blijkbaar eerder afkerig van. Zelfs in die mate dat na de bezetting van Nederland het hoofdbestuur van de obediëntie een houding aannam, die eveneens sterke overeenkomsten vertoont met die van vele Duitse obediënties: zich schikken naar de nieuwe machthebbers, proberen zich aan te passen, te redden wat te redden valt en verder te werken alsof er niets gebeurd was.

Caransa is erg vriendelijk voor de toenmalige bestuurders (terecht overigens, want na enkele uitschuivers waaronder een onaangename brief aan Seys-Inquardt, kwamen zij in het verzet terecht) en tracht hun houding in de historische context van toen te zien, hetgeen me correct lijkt. Wat het politieke engagement betreft ben ik echter van mening dat de houding van het Grootoosten der Nederlanden de juiste was – alleen: van bij het begin van de bezetting hadden zij onmiddellijk de lichten moeten doven.

Hoofdstuk zes is eigenlijk een korte historische monografie op zichzelf, over de rol en de betekenis van de joodse broeders die lid waren van Amsterdamse loges.

In hoofdstuk zeven stelt de auteur de vraag naar de juistheid van het christelijk imago dat de vrijmetselarij zou hebben. Door deze vraagstelling wordt eigenlijk gepeild naar de godsdienstige of religieuze aard van de vrijmetselarij, en door het vermeende christelijke karakter tegenover joodse invloeden of kenmerken te plaatsen gaat de auteur impliciet ook uit van het jodendom als een godsdienst. Toch een innerlijke tegenstrijdigheid met zijn expliciet uitgangspunt, meen ik.

Zowel zijn historisch uitgangspunt in dit hoofdstuk, nl. dat de vrijmetselarij vóór Anderson zonder meer christelijk genoemd moet worden (p. 127) als zijn conclusie, dat de vrijmetselarij de meest waardevolle elementen van jodendom, christendom en humanisme in zich moet verenigen (p. 136) kunnen volgens mij wel onderschreven worden. De enige opmerking bij dit hoofdstuk geldt de neiging van de auteur om mythische elementen zoals de bouw van de tempel van Salomon de vrijmetselarij binnen te lezen alsof het historische feiten zouden zijn. Maar dat doen wel meer auteurs over vrijmetselarij. Ook benadrukt hij m.i. te weinig dat elementen zoals de tempel van Salomon, de rol van Jeruzalem, de betekenis van het Oosten en andere elementen uit het Oude Testament aan jodendom en christendom gemeenschappelijk zijn, en dat er, voor wat betreft het verband tussen jodendom en vrijmetselarij eerder sprake is van overeenkomsten, parallellen, dan van het rechtstreeks overnemen van elementen uit de joodse godsdienst. Waarbij dan nog komt dat die overeenkomsten m.i. talrijker zijn dan uit broeder Caransa’s werk blijkt.

Het achtste hoofdstuk bevat een summier overzicht van het voorkomen van joden en vrijmetselaars en de al of niet bestaande verbinding tussen beide in een aantal landen. Deze korte overzichten zijn werkelijk zeer summier en daardoor noodzakelijkerwijze erg oppervlakkig. Zij kunnen, elk op zich, hoogstens een synopsis vormen voor verdere studie.

De hoofdstukken negen en tien zijn op hetzelfde stramien gebouwd, maar gaan dieper in op respectievelijk de toestand in de VS en in Israël.

Vooral het hoofdstuk over de VS is boeiend, omdat Caransa – m.i. terecht – expliciete parallellen ziet tussen het racisme tegenover de zwarten in de VS – óók in de vrijmetselarij – en het klassieke Europese antisemitisme. Dat er binnen de Amerikaanse vrijmetselarij nog steeds een segregatie bestaat op basis van ras lijkt me zonder meer verwerpelijk. En wat erkenningen vanwege VS-obediënties betekenen wanneer je leest dat de Grootloge van Missouri in 1966 de betrekkingen met het Grootoosten der Nederlanden verbrak omdat deze laatste vriendschappelijke banden had met een grootmacht waarin ‘een broeder van het negroïde ras lid van het hoofdbestuur’ was (p. 169), is wat mij betreft alleszins duidelijk. Maar zolang ze daar niet wat intelligenter en verdraagzamer worden (non-discriminatie zou bv. Een landmerk kunnen zijn – dat zou pas een verandering ten goede genoemd kunnen worden) stellen hun erkenningen in mijn ogen absoluut niets voor.

In het hoofdstuk over Israël valt mij vooral het mooie logo van de Israëlische grootmacht op, waarin de Davidsster, de islamitische halve maan en het christelijke kruis broederlijk verweven zijn. Alleen vraag je je natuurlijk af hoe het verband is tussen dit prachtige principe en de werkelijkheid ter plaatse. Daarop was volgens mij iets meer moeten worden ingegaan.

Hoofdstuk elf tenslotte vat het boek samen en trekt de conclusies. Van deze laatste lijkt mij deze de voornaamste: “Mijn eindoordeel is dat de vrijmetselarij in haar algemeenheid, dat wil zeggen de mensen uit wie deze organisatie heeft bestaan, op enkele uitzonderingen na, gedurende lange tijd niet hebben gehandeld zoals hun idealen hen voorschreven te doen.” (p. 192) Eenieder die een beetje op de hoogte is van de maçonnieke geschiedenis zal dit kunnen beamen, ook al moet er duidelijk genuanceerd worden, op de eerste plaats tussen de grootmachten, de afzonderlijke loges en de afzonderlijke broeders.

Het boek besluit met enkele interessante of bruikbare appendices: op de eerste plaats lijsten van joodse broeders van de Amsterdamse loges, waarin het grote aantal ‘passanten’ inderdaad opvalt; dan een verklarende woordenlijst, een beknopte, becommentarieerde bibliografie en een index.

Het boek van broeder Caransa is duidelijk niet op de eerste plaats bedoeld voor beroepshistorici, ook al kunnen die er heel wat stof in vinden voor verdere studies. Het is vlot en leesbaar geschreven, soms een beetje oppervlakkig misschien (maar dat kan evengoed aan mijzelf liggen), maar voor een eerste kennisname met het onderwerp zeker geschikt. De auteur raakt zonder ooit scherp te worden en zonder ooit over te gaan tot polemiek belangrijke probleempunten aan, die dat vaak niet alleen in het verleden waren maar ook nu nog: ik denk slechts aan het naar buiten treden, het innemen van officiële standpunten t.o.v. gebeurtenissen in de wereld (hetgeen de GLNF bv. wel doet, zo n.a.v. de gebeurtenissen van 11 september 2001; hoe goed gemeend ook is dat volgens mij partij kiezen in een conflict en dus in strijd met het apolitieke uitgangspunt van de vrijmetselarij – en met deze mening van mij zou broeder Caransa het waarschijnlijk hoogst oneens zijn), het racisme ook binnen de vrijmetselarij enz.

Een fraai uitgegeven, verdienstelijk werk, dat ik aan alle broeders die van de aangesneden problematiek niet op de hoogte zijn als inleiding van harte zou willen aanbevelen.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


17 − zes =