Afscheid

| Geen reacties

Voor Josée

Misschien zal hij je schrijven,
verre zuster, zachtmoedig dier,
minzame minnares van papier,
een brief die blijft beklijven
terwijl hij gestadig achterwaarts gaat
blaffend naar een spiegelbeeld van sneeuw.

Kon hij je ogen merken met zijn pijn
en van je adem het slachtoffer zijn,
iets dat beweegt, zo warm als handen,
gekneld, gekneveld met de banden
die men voorheen van liefde noemde.

Maar als hij woorden zweeg,
tot stiltes aan elkander reeg,
je borsten roemde
en je huid verbrandde
in gedachten
bleef hij zichzelve vreemd en jou.

Een vrouw is immers van zout in de regen;
zij slaat haar klauwen in zijn hout
en smelt;
de stam verbrokkelt, de dorre boom
komt weer tot een denkbeeldig leven,
stort zich in een moeras
en meent te bloeien
in drijfzand en as.

Zijn handen zijn klam in zijn schoot
waarmee hij afscheid neemt,
haar achterlaat voor dood.

Geen dijk breekt door,
geen koningskind verdwaalt daar
in het water.

Slechts buiten deze wereld en de reeuwse eeuw
ligt de liefde op de loer;
in die tuinen van puin
bloeden hun lichamen bevend leeg.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


5 − drie =